Column

Ook Lenteakkoord aanvaardt logica van marktsamenleving

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Voldongen feiten. Den Haag ziet ze graag bij lastige beslissingen. De vijf partijen die deze week de puntjes op de i van het Lenteakkoord zetten, dromen van verschillende werelden. Maar zij vinden alle vijf dat Nederland zijn eigen broek moet ophouden en zich aan de Europese begrotingsregels moet houden.

VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie accepteren dat het begrotingstekort volgend jaar niet groter dan 3 procent moet zijn. De drie nieuwkomers aan tafel hebben het Catshuisakkoord van de gedoogcoalitie socialer en groener gemaakt, in slagzintaal. Aanslagen op het speciaal onderwijs en de langdurige en geestelijke zorg zijn getemperd. Daar staat tegenover dat wie een dokter nodig heeft meer zelf gaat betalen.

Om de benodigde 12 miljard euro extra bezuinigingen te halen (boven op de 18 miljard van Rutte I) is vooral gegrepen naar ouderwetse belastingen: verhoging van de btw, loonmaatregelen, beperken reiskostenvergoeding, meer accijns op roken en drinken. Met de veelbesproken hervorming van de woonmarkt is een beginnetje gemaakt.

Het Lenteakkoord heeft nog geen garantiebewijs van het Centraal Planbureau. Het is nog niet officieel bekendgemaakt, maar uit het gedeelde gevoel voor urgentie en de uitgelekte maatregelen blijkt dat de vijf Lentepartijen zich binnen de geldende economisch logica bewegen. Dat geldt ook voor het zwaarder belasten van inkomens boven 150.000 euro. Het vergroenen van de belastingen komt het meest in de buurt van een denkomslag.

Verkiezingsverplichtingen zullen geen van de vijf partijen veel ruimte geven om het Lenteakkoord lyrisch aan te bevelen. Het zal wel blijven bij zandzakkenjargon, ‘samen de schouders eronder in tijd van nood’. Het is een compromis geënt op een compromis. Maar zo hoeft het niet te gaan.

Sybrand Buma en de andere lijsttrekkers zouden de komende maanden kunnen aangrijpen om los te komen uit het huidige pan-Europese welles-nietes van bezuinigen versus stimuleren. Wat in de Angelsaksische wereld heet: austerians vs. keynesians.

Beide benaderingen beweren dat zij weten hoe mensen reageren op financiële prikkels. In beide schuilt een groot vertrouwen in de economisering van ons dagelijks leven, als individuen en als burgers van Nederland en Europa. Zolang we accepteren dat al onze zorgen en verlangens in geld zijn uit te drukken, zitten we gevangen in een eenzijdig economische logica.

De laatste tien, twintig jaar zijn politiek, ambtenarij en bestuur steeds meer bemand door mensen met een economische en een bestuurskundige en dus een managementblik op de werkelijkheid. Zij hebben het publieke belang gedefinieerd in economische termen. Efficiency en kosten-batenanalyses werden van middel doel. De overheid werd een slome speler in deze wedstrijd met het bedrijfsleven. Zelden vraagt de huidige politiek zich af of de overheid wel in het goede toernooi speelt.

Volgende week komt Michael Sandel naar Nederland. Deze politieke filosoof van de Amerikaanse Harvard universiteit schudt in zijn fascinerende boek What Money Can’t Buy: The Moral Limits of Markets deze dominante logica flink door elkaar. Met een schat aan voorbeelden, veel Amerikaanse, maar ook uit China, Rusland, Zuid-Afrika en Israël, laat hij zien hoe we langzamerhand alles op geld zijn gaan waarderen. Zo werden onze markteconomieën tot marktsamenlevingen.

Alles gebeurt hier later. Maar Sandels skyboxification of society is ook in dit land steeds normaler. Misschien betalen we hier nog geen dakloze 150 euro om een nacht in de rij te staan voor een overigens gratis kaartje Shakespeare in het Park. En beloven we nog geen verblijfsvergunning aan een immigrant die binnen twee jaar een half miljoen investeert en tien arbeidsplaatsen schept. Maar het heffen van liggeld (vroeger alleen bekend in jachthavens) voor ziekenhuisnachten zal het ‘gebruik’ niet drukken en is dus een economisering van ziekenhuisverblijf, dat voor niemand een vrijetijdsoptie is.

Sandel vat zijn reis langs de absurditeiten van de vermarkting van ons leven samen met de goede vragen. „Hoe willen we samenleven? Willen we een samenleving waarin alles te koop is? Of zijn er ook morele en menselijke goederen waar markten niets voor over hebben, die voor geen geld te koop zijn?”

Het zal makkelijk zijn om aan te tonen dat wij nog geen 3,4 miljoen euro vragen om een metrostation naar een telefoonbedrijf te noemen. Maar wij zitten dichter bij die allesoverheersende marktlogica dan we denken. Het onder al onze beleidsdiscussies liggende mechanisme is dat van de markt die alles beter weet en doet.

Marktuitwasje? Meer toezicht. Banken voor miljarden euro’s moeten redden? Bankbelastinkje erop, zonder al te veel voorwaarden om herhaling van het Fortisdrama te voorkomen. De Nationale Investeringsbank, die nu de economie zou kunnen oppeppen, hebben we geprivatiseerd. Net als woningbouwcorporaties. Die moeten aan dezelfde marktlogica gehoorzamen. En doen wat resteert van hun publieke roeping als aardigheidje erbij. Hoezo minder solidariteit in de zorg?

Nu ProRail als marktpartij niet lukt, pleit nota bene VVD’er Aptroot voor terugkeer in de rijksschoot – vergetend dat Rijkswaterstaat de meeste deskundigheid allang kwijt is en moet huren op de markt. En was het echte probleem niet de onwijze splitsing van NS?

Die verkiezingscampagnes kunnen heel nuttig worden. Als partijen de echte crisis, die van het zoekgeraakte publiek belang, durven benoemen. Die verwart en benart heel Europa en dus ook Nederland.

U kunt de auteur e-mailen via opklaringen@nrc.nl