Jantje bromt, Jantje lacht

Psychologie Emoties zijn handig gereedschap, zegt Gerben van Kleef. Door boos of blij te zijn kunnen werkgevers hun medewerkers sturen – en politici hun kiezers.

Ellen de Bruin

Eerst cum laude afgestudeerd, toen cum laude gepromoveerd. Diverse prijzen gewonnen voor onder meer zijn proefschrift, invloedrijke wetenschappelijke artikelen en voor het op jonge leeftijd carrière maken. Een paar jaar geleden haalde hij acht ton NWO-subsidie binnen. Anderhalve maand geleden, even na zijn 35ste verjaardag, werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar sociale psychologie – hij onderzoekt hoe mensen elkaar beïnvloeden met hun emoties. O ja, en vorige week kwam zijn eerste populair-wetenschappelijke boek uit, over hetzelfde onderwerp. Op verzoek van de uitgever geschreven.

“Ja, het gaat wel lekker ja”, zegt Gerben van Kleef dan. Een rustige jongen. Je zou op het eerste gezicht niet raden dat hij emoties zo belangrijk vindt. Maar dat is wel zo. “Er zijn nog steeds heel veel mensen die vinden dat emotie iets is voor vrouwen, voor sukkels en slappelingen”, zegt hij op zijn werkkamer in Amsterdam. “Dat zie ik op tv, dat lees ik in interviews. Veel mensen vinden dat bijvoorbeeld boos reageren niet professioneel is, maar een zwaktebod, een teken dat je de dingen niet helder meer ziet. Maar er zit ook een andere kant aan. Als je niet boos wordt, geef je ook geen signaal dat iets echt niet kan.” Het is goed om je van zulke effecten bewust te zijn, vindt Van Kleef. “Dat emoties een bron zijn van informatie en van invloed en dat dat positief of negatief kan uitpakken.”

Daarmee gaat hij een stap verder dan de bekende emotiepsycholoog Nico Frijda, van wie hij een leerling is. “Althans... ik weet niet of Frijda zich dat realiseert – ik heb bij hem in de collegebanken gezeten.” Frijda, legt Van Kleef uit, heeft een heel belangrijke rol gespeeld bij het ontstaan van het besef dat emoties nuttig zijn. “Maar hij richt zich vooral op het individu. Hij laat zien wat emoties zijn, waar ze vandaan komen, wat ze met ons doen, hoe ze ons gedrag beïnvloeden. Ik heb een meer sociale insteek: ik kijk, als die emoties er eenmaal zijn: hoe reageren anderen daar dan op?”

Emotionele besmetting

En dat onderzoekt Van Kleef dan in beschaafde, alledaagse situaties in voornamelijk de westerse wereld. Situaties waarin er, volgens de theorie die hij ontwikkelde, twee dingen kunnen gebeuren als er iemand boos op je wordt. Ofwel je gebruikt die constatering als informatie: ik heb kennelijk in de ogen van die ander iets verkeerd gedaan. Ofwel je wordt zelf ook boos; de ander besmet je als het ware met zijn emotie. Bang worden van iemands boosheid – nee, daar is dit onderzoeksterrein te beschaafd voor. “Kijk, als iemand met een bijl op je afkomt, dan krijg je wel echte angst. Maar dat is zo’n zeldzame situatie; ik denk niet dat het primaire nut van emoties daarin zit, op sociaal niveau.”

Nee, het sociale nut van emoties, de reden dat ze overgebleven zijn in de evolutie, is volgens Van Kleef dat ze informatief zijn. Ze zeggen iets over de toestand waarin een ander verkeert en de manier waarop hij zich dus waarschijnlijk zal gedragen. Dat is nuttige informatie, zeker in onderhandelingen en bij machtsverschillen op het werk, om maar twee situaties te noemen die Van Kleef onderzocht. Uit zijn onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat het helpt om boosheid te uiten als je onderhandelt over de prijs van iets dat je wilt kopen of als je je werknemers tot harder werken wilt aansporen. “Die boosheid geeft dan onrust en bezorgdheid, maar vooral informatie: dit gaat niet de goede kant op, straks komen we er niet uit met elkaar.” En dan bewegen mensen de goede kant op, jouw kant. Althans, zo werkt het als je als baas incidenteel boos bent – het moet wel informatief blijven. “Als iemand altijd boos is, denken mensen gewoon: daar heb je hem weer met zijn rothumeur.”

De informatie uit andermans emoties is trouwens niet het type informatie dat mensen zomaar vanzelf binnen krijgen en gebruiken, toonde Van Kleef verder aan. Als mensen de tijd hebben, en genoeg ruimte in hun hoofd, gebruiken ze emoties van anderen wel als informatie; hebben ze die capaciteiten niet dan is de kans groot dat er simpelweg emotionele besmetting optreedt. “Onder tijdsdruk of stress kunnen mensen nog wel constateren dat hun baas boos is”, zegt Van Kleef, “maar dan komen ze er niet toe om vervolgens ook te denken: mijn prestatie zal wel tegenvallen, ik moet misschien wat harder werken. Je ziet eerder een onderbuikreactie: o, ben jij boos op mij, nou, dan word ik boos op jou. Dan hebben mensen geen zin meer om moeite te doen.” Bij stress doen leidinggevenden er dus goed aan hun boosheid ‘weg te reguleren’, aldus Van Kleef. Er een rustig moment voor te vinden.

En soms is het zelfs verstandig voor leidinggevenden om hun goede humeur te onderdrukken – namelijk als ze toevallig een goed humeur hebben, terwijl hun team maar matig presteert. “Blijdschap is een signaal dat je kan blijven doen wat je doet. Als een leider zijn blijdschap toont aan een team dat aan een taak werkt, kan het zijn dat ze denken: o, hij is tevreden, we kunnen wel met de voeten op tafel.” Als de werknemers niet veel tijd hebben om na te denken, werkt blijdschap tonen weer wel, want dan krijg je emotionele besmetting: baas blij, werknemers blij. “En als de prestatie heel goed is, is er natuurlijk ook niets mis mee om blijdschap te tonen. In dat geval zou boosheid tonen juist averechts werken, want de boosheid wordt dan waarschijnlijk als onterecht gezien en dan reageren mensen er negatief op. Ik wil liever niet de indruk wekken dat we allemaal boos op elkaar moeten worden en dat blijdschap slecht is. Het ligt vrij genuanceerd.”

Oprecht doen alsof

Zo zou je ook zeggen dat het slim is als onderhandelaars en managers op de juiste momenten strategisch boosheid acteren. Maar dat hoeft niet zo te zijn. In een van zijn onderzoeken liet Van Kleef een acteur ofwel oppervlakkige boosheid acteren (door louter lichaamstaal), ofwel oprechte boosheid, met de technieken van method acting (een acteur haalt dan een situatie uit het verleden boven waarin hij oprecht echt boos was). “Dat laatste komt authentieker over”, zegt Van kleef, “omdat het op dat moment authentieker is.” En het had het beoogde effect: de method acting acteur haalde meer uit de onderhandelingen – en de oppervlakkig boze acteur juist minder.

De ironie is dus dat je wel kunt doen alsof je boos bent, als je wilt dat je mensen harder werken, maar dan moet je wel ‘oprecht doen alsof’? Van Kleef lacht: “Ja, die voelde ik al aankomen. Maar weet je, als je eigenlijk niet echt boos bent, waarom zou je het dan acteren? Betekent het dan niet dat je eigenlijk best tevreden bent? Emoties tonen kan nuttig zijn, maar het moet wel goed bij de situatie passen.”

Je zag zoiets laatst bij Rutte, zegt Van Kleef. “Die is altijd vrolijk en opgeruimd. In het begin werd dat goed ontvangen. Maar als het crisis blijft en ze komen er niet uit met die drie procent en na zes weken stapt hij nog steeds elke dag met diezelfde grijns op de fiets, dan krijgen mensen toch het idee: dat klopt gewoon niet.”

In de politiek is er in het algemeen meer ruimte voor emoties dan vroeger, denkt Van Kleef. “Ik zie dat daar vraag naar is. De omgangsvormen worden losser, mensen willen politici van vlees en bloed die zich druk maken om dingen, betrokken en begaan zijn. En het is niet genoeg om dat allemaal louter op een rationele manier te uiten.”

Daarmee wordt ook emotionele intelligentie belangrijker: het kunnen beheersen en strategisch uiten van je eigen emoties en het herkennen van die van anderen. Heeft Wilders bijvoorbeeld een erg hoog EQ? Van Kleef denkt na. “Ik weet niet of hij heel emotioneel intelligent is, maar hij is wel een heel intelligente en gehaaide politicus. Ik denk dat hij dicht bij zichzelf blijft. Hij is goed in boosheid, hij zet dat af en toe ook een beetje aan... Hij heeft duidelijk genoeg EQ om te weten dat emoties effect hebben. Dat is een heel verschil met bijvoorbeeld Balkenende en Cohen, die heel beschaafd zijn maar niet lijken te begrijpen dat mensen af en toe een emotioneel sausje willen.”

Misschien is dat voor mensen in topposities ook wel moeilijker dan voor gewone stervelingen. Want de ironie wil dat emotioneel intelligente mensen goede leiders zijn – ze zien wat anderen beweegt en kunnen daar op inspelen – maar uit onderzoek blijkt ook dat als mensen eenmaal aan de macht zijn, ze minder aandacht hebben voor de gevoelens van hun ondergeschikten. “Ik heb mensen weleens tegenover elkaar gezet”, vertelt Van Kleef, “en elkaar verdrietige verhalen laten vertellen. Eerder had ik al gevraagd hoe machtig deze mensen zich in het dagelijks leven voelden. Het bleek dat de mensen die zich bovengemiddeld machtig voelden, minder meevoelden met anderen en fysiek ook minder op hun emoties reageerden.” Maar dat is misschien wel functioneel, geeft hij toe: “Je kunt zeggen dat het erg is als je de ellende van een ander niet meer ziet, maar als je honderd man onder je hebt, kun je het je niet meer veroorloven elke nacht wakker te liggen van iemands zieke moeder of dode hond.”

Koffie stelen

Komen eigenlijk wel de goeie mensen aan de macht, als manager, of als politicus? “Daar is moeilijk iets algemeens over te zeggen. Mensen kiezen eerder voor een leider die goed voor de groep zorgt, maar mensen kunnen zich ook via de ellebogen omhoog werken.” Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld ook dat hoewel regels in een groep belangrijk zijn, mensen die de regels overtreden meer leidinggevende capaciteiten worden toegedicht. “Alleen al omdat dat soort vrijheid de vrijheid is waarover leiders in het algemeen beschikken. Dat regels blijkbaar op jou niet van toepassing zijn, dat is een luxe die vooral leiders hebben.” Maar dan nog steeds bleek in een onderzoek van Van Kleef dat mensen iemand die koffie steelt van de onderzoekers wel als leider willen, maar alleen als hij die koffie ook aan anderen uitdeelt. Een goede leider zorgt goed voor mensen.

Wil Van Kleef met zijn boek een advies geven aan de lezer? “Eigenlijk niet anders dan: geef jezelf er rekenschap van dat dit soort effecten er zijn – privé, op het werk, in sport, in de politiek. En dan moeten mensen zelf maar de conclusie trekken of ze andere mensen er bewust mee willen beïnvloeden of alleen maar willen leren begrijpen: o, daarom reageren mensen zo!” Voor hemzelf geldt dat laatste. Hij brengt zijn onderzoeksresultaten niet of nauwelijks in de praktijk, zegt hij desgevraagd. Hij zou het althans niet weten. Boos wordt hij sowieso zelden – hooguit als hij zaalvoetbalt. Maar boos worden op het werk heeft hij kennelijk niet nodig.

Gerben van Kleef: Op het gevoel. Hoe we elkaar beïnvloeden met onze emoties. Uitgeverij Atlas, 240 blz., € 19,95