'Ik ben geen autoverkoper'

Bij een biertje legt Jorg Grimm (36) uit hoe hij in zijn galerie kunstwerken als warme broodjes verkoopt. ‘Ik help de kunstenaar groeien.’

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux, Jorg Grimm, Amsterdam

Galeriehouders zijn er in twee soorten. De een leest de hele dag de cultuurbijlage van de krant en wacht tot er eens iemand binnen loopt. En je hebt Grimm, zegt Jorg Grimm. Net 36 jaar, twee galeries in Amsterdam – een op de Keizersgracht en één in De Pijp. Bij hem komen er op een doordeweekse dag twintig bezoekers, in het weekeinde zestig. Zijn kunstenaars zijn internationaal bekend, ze exposeren in musea en hun werken worden grif gekocht. Nu het crisis is, zegt Jorg Grimm, verkopen galeriehouders alles óf niets. „Daartussen zit niks.”

Het zijn altijd dezelfde kunstjournalisten, dezelfde kenners en koper die naar zijn openingen komen. Jorg Grimm wilde weleens wat anders, zegt hij als we naar het het French Café fietsen waar hij reserveerde. „Na zeven jaar ken je iedereen in het wereldje wel.” Het wereldje mag van hem wel wat groter en daarom meldde hij zich bij een groot pr-bureau dat hem weer bij mij suggereerdeaanbod voor de lunch. En wat zeg je dan? Meestal nee. Maar nu dus ja. Waarom? Ik kende hem niet, en ook zijn galerie niet, hoewel ik er wekelijks langs fiets. De redacteur beeldende kunst van de krant kende hem wel, althans zijn galerie. Ze gaf drie kwalificaties. ‘Succesvol’, ‘internationaal’ en ‘interessant’. En dan was er nog die naam, die deed vermoeden dat hij een afstammeling was van de sprookjesschrijvende broers uit het begin van de negentiende eeuw.

We spreken af bij zijn galerie op de gracht. Daarna gaan we naar de Pijp en dán gaan we lunchen. Jorg Grimm doet open. Tenger, jongensachtig, nonchalant. Koffie. Glaasje water. Snelle rondleiding langs het werk van de Schotse kunstenaar Charles Avery. Dit heeft hij vaker gedaan. In telegramstijl zegt hij wat ik zie.

Avery heeft een denkbeeldig eiland gecreëerd. Het eiland heeft inwoners, dieren en planten die Avery schildert, beeldhouwt en nabouwt. Samen zijn de kunstwerken een sprookjeswereld met een held en een heldin en een monster.

Op de witte vloer van de galerie ligt, alsof het zojuist is aangespoeld, een enorm zeedier. Gemaakt van een half koeienskelet, een paardenhoofd en een boa constrictor.

Op het monster en wat kleiner werk na, is alles in de galerie verkocht. Zelfs een onafgemaakt schilderij. Eind deze maand, als de tentoonstelling is afgelopen, gaat het schilderij terug naar het atelier van Avery in Londen, daar maakt hij het af en dan krijgt de nieuwe eigenaar het. „We hebben wachtlijsten”, zegt Grimm. Al voor de opening waren er werken gereserveerd. Ongezien. Op de openingsdag zelf is de verkoop dan „minutenwerk”, zegt hij. Er gaat een werk naar het Haags Gemeentemuseum, en het Rotterdamse Boijmans Van Beuningen krijgt een werk in bruikleen van een privéverzamelaar.

Dat is succes. En dat valt op.

Niet het geld bepaalt het succes. De kunst die hij aanbiedt, is ‘museaal’, dat is het sleutelwoord. Een galeriehouder verkoopt het werk van ‘zijn’ kunstenaar het liefst aan een museum. Het levert minder geld op, maar wel het meeste publiek en de meeste status. Alsof het werk een stempel krijgt dat het ‘echte kunst’ is. Op nummer twee van favoriete kopers staat de verzamelende particulier die de beschikking heeft over een eigen expositieruimte. Daarna komen de particuliere verzamelaars van wie bekend is dat ze al een interessante collectie hebben, en daarna komen de belangstellende particulieren die gewoon een mooi kunstwerk willen. En dan liefst een particulier die je kent, want wat je niet wilt, zegt Grimm, is dat een werk rechtstreeks naar de veiling wordt gebracht. „Daar blazen ze de prijzen op. Een werk van 40.000 dollar brengt ineens een miljoen op.” Niet fijn voor een jonge kunstenaar, want zulke prijzen kan niemand betalen. Zeker musea niet.

Terloops zegt Grimm dat Avery nog lang niet klaar is met zijn eilandfantasie. Hij zegt het zoals de bakker wiens broodjes aan het einde van de dag uitverkocht zijn. Morgen zijn er weer verse. „Avery is 38”, zegt Grimm. „Die is nog heel lang kunstenaar.”

Ik buig me voorover om het zeemonster nog eens goed te bekijken, Jorg Grimm doet ondertussen passen op de plaats. Hij is zo iemand die weet dat hij altijd net een tandje te snel gaat voor zijn omgeving en die zichzelf daarom heeft aangeleerd wat af te remmen. Maar heel makkelijk gaat het hem niet af. Dus door naar de volgende ruimte – „pas op voor het afstapje” – waar een ijzeren boom staat die reikt tot aan het plafond. Grimm vertelt over het mathematische principe dat ten grondslag ligt aan de spreiding van de takken en de blaadjes eraan. Ik noteer haastig ‘gulden snede’. En: ‘rij van Fibonacci’. Grimm staat al bij de deur te trappelen.

Op de fiets naar de andere galerie. Zijn herenfiets heeft kinderzitjes achterop en voor op de stang. Drie kinderen, roept hij tegen de wind in. Jongetjes van zes, vier en twee. Met zijn vrouw Hannah Reefhuis, die ook bij de galerie werkt. We fietsen langs de Bloemgracht. In 2005 begon hij daar zijn eerste kunstwerken te tonen, op de eerste verdieping die hij antikraak kon betrekken.

Waarom begint een jongen van net 28 uit het Gelderse dorpje Acquoy een kunsthandeltje? Hoe doe je zoiets? En waar haal je die kunst (en het geld om het te kopen) vandaan? Ik vang flarden van antwoorden op. Nu trap ik op zijn rem. Straks, bij de lunch, mag hij het vertellen.

Fietsenwinkel

De galerie in de Frans Halsstraat zit in vier doorgebroken panden naast elkaar, vroeger zat er een fietsenwinkel. Ook hier weer de sprookjeswereld van Charles Avery. Bronzen borstbeelden van eilandbewoners. Verkocht. De ijzeren treurwilg die hier staat, gaat naar een museum. De fantasieplanten, de gedetailleerde kaart van het eiland, de reclameposters voor niet-bestaande producten gaan naar particulieren. „Gezien?” vraagt Grimm. Gezien, knik ik. „Dan gaan we.” We lopen naar de French Café.

Ik wilde, zegt hij als we eenmaal zitten, zelf kunstenaar worden. Veel galeriehouders, zegt hij, beginnen als kunstenaar. Hij was even schilder. Net als zijn moeder (Arty Grimm) en zijn stiefvader. „Ik heb altijd verf om me heen gehad.” En wat ik al hoopte, blijkt echt waar. Hij is een nakomeling van een van de sprookjesschrijvers Grimm. „Hun zoons kwamen in de negentiende eeuw naar Nederland en verdienden hun geld met het beschilderen van koetsen. Landschappen.”

Na de havo ging hij naar de Rietveld Academie. Ging er na een jaar weer af. Deed nog een jaar de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. „Het was geen goed idee.” Veel wil hij er niet over zeggen, behalve dat hij nog een paar schilderijen uit die tijd heeft bewaard. Olie op doek. Een beetje pop-artachtig. Af en toe laat hij er een zien aan een van zijn kunstenaars. „Om te lachen.”

Hij ging een jaar Spaans leren in Salamanca en daar kreeg hij ook een vak kunstgeschiedenis. „Ik merkte dat ik het kon.”

Wat kon?

„Inschatten wat goede en slechte kunst is.”

Daar ergens, denkt hij, heeft hij bedacht dat hij de allerbeste galeriehouder van Nederland wilde worden.

Hij meldde zich aan voor de Hogere Economische School. Eerst vooral om „iets concreets te doen” én zijn ouders ervan te overtuigen dat hij ook iets kon afmaken. „Later bleek dat ik het leuk vond.” Zaken doen, rekenen, onderhandelen.

Hij woonde een jaar in Barcelona, werkte een tijdje in New York. Kwam terug in Nederland en werd accountmanager bij een computerfirma. „Ik handelde soms al in kunst. Familie, kennissen, vrienden adviseren. Hier en daar eens wat kopen.” Pas toen hij voor bijna geen geld die verdieping op de Bloemgracht kon huren, begon hij echt. Hij belde George Condo, een kunstenaar die hij in New York had ontmoet. „Achteraf denk ik dat hij in een zware dip in zijn carrière zat. Want hij zei meteen ‘ja’ op de vraag of ik wat schilderijen van hem mocht ophangen.” Hij belde ook de galeriehouder van Peter Doig. Zijn schilderijen ‘doen’ inmiddels miljoenen op de veiling. „Schilderijen kreeg ik niet, no way, maar ik mocht wel zijn etsen in mijn galerie hangen.” De curator van het Bonnefantenmuseum in Maastricht, die hij had uit uitgenodigd, kocht een hele serie. Voor 20.000 euro.

Hij bestelt garnalenkroketjes. Meer uit plichtsbesef, zo lijkt het, dan uit eetlust. Hij twijfelt als de ober komt vragen wat het hoofdgerecht zal worden. Heilbot? Steak tartare? Het lijkt hem zo veel. Hij vraagt of de kok misschien een croque monsieur kan maken, want die kunnen we delen. De ober schudt van nee. Grimm wacht net zolang tot de kok erbij komt. Die zegt dat hij geen brood en kaas op voorraad heeft. Grimm geeft het op. Dan heeft hij net zo lief een biertje..

Grimm heeft nu 23 kunstenaars in portefeuille. De meesten zijn dertigers, net als hij. Kunstenaars die al bekend zijn of op het punt staan het te worden. „Ik help de kunstenaar groeien.” Niet door in de galerie te wachten tot er iemand binnen komt, zegt hij. En ook niet door alles direct voor zo veel mogelijk te verkopen. „Ik ben geen autoverkoper.” Hij is een ‘meewerkend galeriehouder’. „Ik denk mee, ik produceer mee. Niet dat ik zeg: ‘maak nu maar eens een groen schilderij’. Maar ik kan wel zien welke kant iets op moet.”

En, niet onbelangrijk, hij betaalt mee. Met zijn eigen geld, want hij heeft een hekel aan lenen. „Inclusief mijn eigen gezin ben ik verantwoordelijk voor 24 families. Ik moet er ook zijn als een kunstenaar in een dip zit, of een half jaar niet productief is. Een wordt binnenkort vader, hij zit middenin een verbouwing, en zit nu even krap. Hij vroeg of ik een schilderij kon voorschieten. Ik koop dan een nog niet gemaakt schilderij van hem.” Sommige kunstenaars spreekt hij dagelijks. Er zijn er ook die weken niks van zich laten horen. Ciaran Murphy, een Ierse schilder, trekt zich terug op een eiland. „En dan ineens belt Fedex bij me aan met een pakketje. Zitten er drie supermooie oliepaneeltjes in.”

We lopen terug naar de galerie. Jorg Grimm schetst met zijn wijsvinger in de lucht de nabije toekomst. Hoe zijn kunstwereld groter zal worden. Daar, op loopafstand van zijn galerie: het Rijksmuseum en het Stedelijk, binnenkort weer open. Die straat die nu is opgebroken, die wordt autovrij. Daar, in dat pand komt een nieuwe galerie. „Nederland is een rijk land met verzamelaars die best een kunstwerk van een paar ton willen kopen, van die ene kunstenaar over wie ze zoveel hebben gehoord. Waar ze dat doen maakt hen niet uit.” Dat kan in Londen of New York. Maar liever nog bij Grimm in Amsterdam.