Hoe het lamme Fiat het blinde Chrysler hielp

Auteur: Jennifer Clark

Titel: Mondo Agnelli. Fiat, Chrysler, and the power of a dynasty.

Uitgever: John Wiley & Sons. 384 p., €27,00

Het was de lamme die de blinde hielp in 2009. De Amerikaanse autofabrikant Chrysler ging failliet en maakte met miljardensteun van de Amerikaanse overheid een doorstart. Voor het eerst sinds 1933 was een Amerikaanse autofabrikant failliet gegaan.

De fabrikant had een miljardenschuld en raakte de achterhaalde modellen nauwelijks meer kwijt. Grote bezineslurpers, dat waren het soort auto’s dat Chrysler maakte. En die waren uit de mode geraakt. De Amerikaanse overheid wilde best geld in de autofabrikanten als Chrysler en General Motors steken, de werkgelegenheid en de steun van het electoraat stond immers op het spel, maar dan moesten zij zich wel concentreren op het ontwikkelen van kleinere en zuiniger auto’s.

En toen was daar het Italiaanse Fiat om het failliete Chrysler te helpen. Fiat wilde best technologie over kleine auto’s en wat licenties leveren. Geld had het Italiaanse bedrijf niet om Chrysler te helpen of aandelen van de Amerikaanse fabrikant te kopen. Sterker nog, net als de Amerikaanse concurrenten kampte Fiat met een miljardenschuld.

Maar geld bleek helemaal niet nodig. In ruil voor het leveren van kennis en technologie kreeg Fiat een belang van 20 procent in het nieuwe Chrysler. Gratis. Een gouden deal, leek het toen. Als Fiat Chrysler vervolgens weer tot leven zou weten te brengen.

Over dit recente kunststukje van Fiat, onder leiding van topman Sergio Marchionne, gaat nog geen derde van het boek dat de Amerikaanse journaliste Jennifer Clark over de geschiedenis van Fiat en de Italiaanse familie Agnelli, grootaandeelhouders van de autofabrikant. Maar het is het meest interessante deel van het boek, behalve voor wie graag over de familie Agnelli en het verleden van Fiat leest.

De deal uit 2009 is niet alleen an sich interessant, zij illustreert ook perfect de stand van de mondiale auto-industrie in 2008 en 2009. Overcapaciteit, bergen met schulden, ingestorte verkoop en fabrikanten die allemaal hard op zoek zijn naar partners om te kunnen overleven. Maar zij laat ook mooi zien hoe zakendoen op miljardenniveau in zijn werk gaat.

Zo beschrijft Clark hoe op een koude dag in februari 2009 Fiat-topman Marchionne in Detroit de voorzitter van de vakbond United Auto Workers ontmoet. Beide mannen zijn duidelijk over hun belangen. Zoveel mogelijk banen redden, is de logische inzet van de vakbondsman. Voet aan de grond krijgen in Amerika, schaalvergroting, om de toekomst van Fiat veilig te stellen, is het doel van Marchionne.

In de volgende scene hebben betrokken bankiers hun bedenkingen. Waarom steekt Fiat helemaal geen geld in Chrysler? Een symbolisch bedrag, desnoods. Maar de adviseurs van Fiat rekenen even voor hoe het zit. Als Chrysler zelf nieuwe motoren, versnellingen enzovoorts zou ontwerpen, kost dat zo’n 8 miljard dollar. Als het bedrijf met Fiat samenwerkt, kost het zo goed als niets en heeft Chrysler veel sneller nieuwe technologie tot zijn beschikking. Logisch, menen de Amerikanen, dat Fiat inzet op een zogeheten cashless-deal.

Clark beschrijft gedetailleerd hoe de onderhandelingen verlopen, wie welke belangen heeft en hoe Fiat-Chrysler uiteindelijk tot stand komt. Ze sprak meer dan 150 mensen voor haar boek. Het boek eindigt in het eerste kwartaal van 2011, een uitstekende kwartaal voor Chrysler. Er wordt weer winst gemaakt. Fiat heeft nu meer dan de helft van Chrysler in handen. Er zijn inmiddels Chrysler-modellen op de markt, die gebaseerd zijn op onder meer de technologie van Alfa Romeo-modellen, een van de merken uit de Fiat-stal.

Interessant is ook dat de rollen nu lijken omgedraaid. Fiat heeft last van de slechte autoverkopen in Europa, terwijl het in Amerika veel beter gaat. In Italië zijn ze bang dat Fiat zich zal concentreren op Amerika en misschien het hoofdkantoor wel verhuist naar de overkant van de oceaan. Dat kan dan mooi deel twee opleveren, als het ooit zover komt.