Elke techniek roept haar eigen ziektes op

Sociale media zouden bij jongeren leiden tot stress en ziekte. Dit is onzin, beschrijft Coen Simon.

Illustratie Rik van Schagen

Op een maandagavond keek ik naar Nieuwsuur. Daar zou de winnaar worden bekendgemaakt van de Libris Literatuurprijs. Ik had me geïnstalleerd voor de televisie met, zoals gebruikelijk, de afstandbediening en mijn iPhone naast me op de bank. Twee van de genomineerden kende ik uit de ‘Nachtploeg 2.0’, een geheime groep van achttien schrijvers op Facebook. Alleen de leden van zo’n groep kunnen elkaars berichten lezen.

Terwijl de twee geheime leden, die zich bevonden in het Amsterdamse Amstel Hotel, op televisie waren te zien en door een verslaggever van Nieuwsuur werden geïnterviewd, postten zij op het besloten sociale medium foto’s van hetzelfde feestje – met heel ander commentaar. Het was een vorm van kantoorhumor die lachwekkend contrasteerde met de galasfeer in het Amstel Hotel.

Opeens verscheen op tv evenwel iemand die me vermanend toesprak en me opriep om „de prikkels uit die sociale media nu eens uit te zetten”. Het was de stem van directeur Liesbeth Hop van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij. Die had onderzoek gedaan onder vijfhonderd jongeren, waaruit volgens de NOS zou blijken dat „jongeren tussen de dertien en achttien jaar lijden aan een ernstige vorm van sociale mediastress”, ook wel ‘SMS’ geheten. Ongeveer een kwart van de jongeren voelt zich al gestrest, volgens Hop, als het niet alles kan bijhouden in de sociale media. Veel jongeren zeggen volgens haar stress te ervaren omdat ze bang zijn dat ze sociaal buitengesloten raken of dingen te missen. Het gevolg is de aandoening ‘FOMO’ – Fear Of Missing Out.

Wie het onderzoeksrapport erbij zoekt, ontdekt dat de berichtgeving van de NOS niet vermeldt dat Hops Nationale Academie voor Media en Maatschappij geen onderzoeksbureau is, maar een cursusinstituut. Het is opgezet en grotendeels bemand door Liesbeth Hop en Bamber Delver. Zij zijn beiden life coach. Het instituut verkoopt even gemakkelijk een cursus waarin ondernemers wordt geleerd op slimme wijze gebruik te maken van de media om vrije publiciteit te genereren als een cursus voor het onderwijs om opvoeders en kinderen te waarschuwen tegen „cyberpesten”.

Daags na het nieuws fileerde sociaal wetenschapper en blogger Linda Duits het zogenaamde onderzoek op groepsblog DeJaap. Volgens haar is er geen enkele invloed aangetoond van sociale media op het feit dat jongeren een goed gevoel krijgen als leeftijdsgenoten aardig tegen hen doen. Het doel van Hops Academie is duidelijk, aldus Duits: „Diensten verkopen. De initiatiefnemers zijn heel toevallig net een cursus Social Media Professional à 495 euro per persoon gestart.” Zo kwam de Academie vorig jaar een week na haar gelanceerde onderzoek Mobieltjesbeleid op scholen ware chaos door de „vele vragen” vanuit de scholen zelf met een masterclass schoolbeleid en mobieltjes.

Dit is niet nieuw. Geld verdienen aan een zelfbedacht syndroom is zo oud als de moderne samenleving. Munt slaan uit vermeende stress gebeurde bijvoorbeeld voor het eerst op grote schaal tijdens de industriële revolutie, bij de invoering van de trein. In zijn boek Techniek: kunst, kermis en theater (2003) beschrijft filosoof Petran Kockelkoren wat er gebeurde toen dit nieuwe medium in de negentiende eeuw zijn intrede deed in onze samenleving. „Toen mensen voor het eerst in de trein stapten, werd er binnen de kortste keren gewag gemaakt van een heel leger aan typische treinziektes, waarvan de railwayspine de bekendste werd. Het was een omstreden diagnose. Op grond van moeilijk te constateren spinaal letsel kon men aanspraak maken op schadevergoeding die door de toenmalige verzekeringsmaatschappijen moest worden uitgekeerd. In de jaren zestig van de negentiende eeuw maakte deze ziekte furore in Engeland, waarna zij oversloeg naar Duitsland en de Verenigde Staten. Ook Nederland kreeg er een staartje van mee. Na enkele decennia was de ziekte uitgewoed en verdween zij nagenoeg spoorloos uit het medisch vertoog.”

Een artikel van historicus H.J.E. Siemerink-Hermans in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde uit 1998 toont hoe artsen en verzekeraars verdienden aan zo’n omstreden diagnose van ruggenmergletsel door spoorwegschokken. „Medisch was er geen consensus over de fysieke dan wel psychische aard van de posttraumatische verschijnselen”, maar door de angst bij de burger voor het nog onbekende – die samenkwam met enkele catastrofes op het nieuwe spoor, „zoals het ongeluk op de lijn Parijs-Versailles in 1842 met 55 doden en 100 zwaargewonden” – kon de ‘diagnose’ gemakkelijk aanslaan.

Om van de publieke beleving van het nieuwe vervoermiddel een voorstelling te kunnen maken, citeert Kockelkoren de Franse dichter Victor Hugo, die verslag doet van zijn eerste treinreis: „De bloemen aan de wegranden zijn geen bloemen meer, maar kleurvlekken of beter gezegd rode of witte strepen, er zijn geen punten meer, alles wordt een streep; de graanvelden worden lange gele strepen; de klavervelden zijn lange groene staarten. Aan de einder voeren de steden, de kerktorens en de bomen een dans uit en lopen op een krankzinnige wijze door elkaar. Van tijd tot tijd verschijnt bliksemsnel een schim, een silhouet, een spook bij het portier.”

U moet zich bovendien voorstellen dat de trein in die tijd nog geen veertig kilometer per uur reed. Hierom kunt u lachen, maar dat doen we over een paar jaar ook om de muisarm. Net als aan railwayspine is er ook veel verdiend aan rsi, de steeds minder gehoorde klacht die samenkwam met onze gewenning aan de computer en vooral aan de muis van de computer. Niet alleen artsen en verzekeraars verdienden eraan, maar vooral producenten van hard- en software.

Ik heb zelf in de afgelopen tien jaar twee keer een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten voor mijn schrijvende werk. De eerste keer vielen arm-, nek- en schouderklachten buiten de verzekering. De tweede keer, een jaar of drie geleden, werden ze bij diverse verzekeraars weer probleemloos meeverzekerd. Dan weet je dat de kosten-batenanalyse inmiddels weer gunstig uitvalt. Inkomsten uit de verzekeringspremies voor rsi leveren de verzekeraar meer op dan wat hij ervoor moet uitkeren.

Een historische blik op de voortdurende opkomst en ondergang van stresssyndromen werkt relativerend, maar er kleeft ook een gevaar aan, hetzelfde gevaar als aan de aanbeden objectiviteit van wetenschappelijke uitspraken: individuele klachten en zorgen hebben steeds minder legitimiteit als ze niet wetenschappelijk zijn bewezen. In plaats van nuchterheid over nieuwe ontwikkelingen wakkert dit juist het verlangen aan naar wetenschappelijke etiketten voor alledaagse menselijke zorgen. Dan heb je tenminste echt iets. Dit verlangen is een uitstekende voedingsbodem voor de pseudowetenschap van lifecoaches en voor de hijgerige statistieken van opiniepeilers als Maurice de Hond.

Ik onderschrijf weliswaar de opinie van Linda Duits dat het onderzoek van de Nationale Academie Media en Maatschappij een waardeloos onderzoek is – niets meer dan een mediastunt met het oog op vrije publiciteit – maar zorgen over nieuwe technieken en media moeten niet worden weggeveegd met rationele scepsis.

Ook al is er met het onderzoek niets aangetoond, echte zorgen bestaan natuurlijk wel. Elke nieuwe ontwikkeling brengt gevoelens van onrust teweeg bij een mens, maar dit is niet erg – integendeel. De onrust en het voortdurende gebabbel zijn zinnig en adequaat. Ze leiden ertoe dat mensen zich de nieuwe techniek beter eigen maken.

Het is de menselijke conditie. We gebruiken middelen om onze doelen te bereiken. Zodra de middelen beter worden, verliezen de oorspronkelijke voorgangers hun schijnbare onmiddellijkheid, noemen we ze verouderd en maken we ons het nieuwe eigen. De videorecorder is zo’n medium dat zijn magie heeft verloren. De mens is zo goed in het toe-eigenen van middelen dat hij vergeet dat niets onmiddellijk gaat. Het eigen maken heeft tijd nodig.

Om gewone menselijke zorgen niet in echte stress te laten veranderen, dienen we vooral nooit te vergeten dat onze natuur altijd even sterk is als de laatst uitgevonden schakel. De media zijn onze sterkste en zwakste schakels. Tot deze media behoren niet alleen de huishoudelijke apparaten, maar natuurlijk ook de sociale wetenschappen.

We zijn zo gewend aan peilingen, staatjes en de waarheden van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal en Cultureel Planbureau dat we haast vergeten dat de sociale wetenschappen al ver voor internet de functie van sociale media vervulden. In plaats van dat deze middelen de maatschappelijke werkelijkheid live en realtime binnen handbereik brengen, zijn het ook gewoon schakels die ons ten dienste staan – technieken die, net als de televisie, een knop hebben. Ik hoop dat traditionele nieuwsmedia – die uit angst om door tweets te worden ingehaald alle pushberichten uit deze oude sociale media meteen broadcasten alsof het breaking news is – die knop snel weten te vinden.