Een bard als hij staat maar zelden op

Bariton Dietrich Fischer-Dieskau verrichtte wonderen in het Duitse ‘Lied’. Met zijn stem zong hij verhalen. Zijn veelzijdigheid maakte hem tot een levend ijkpunt.

Een jonge Fischer-Dieskau in 1959, tijdens opnames van Gustav Mahlers liederencyclus ‘Das Lied von der Erde’ in de Abbey Road Studio’s in Londen

Zonder slag om de arm was hij de grootste liedzanger van de twintigste eeuw. Maar Dietrich Fischer-Dieskau was zelf de eerste om dat te nuanceren. „Zegt men dat?” reageerde hij twaalf jaar geleden bij zijn laatste bezoek aan Nederland, de twinkelogen oplichtend. „Nou nou! Die omschrijving doet mij eerlijk gezegd wat al te ‘legendarisch’ aan.”

De bariton, uniek in zijn veelzijdigheid en nooit aflatende zoektocht naar de relatie tussen tekst en toon, overleed gisteren in Berg bei Starnberg. Hij werd 86 jaar.

Dirigent Herbert von Karajan noemde hem ooit ‘de ultieme renaissance-mens’. Een uomo universale die als zanger, dirigent en schrijver het geluk had dat zijn liefdes elkaar niet beten, maar versterkten. Zelf zag Fischer-Dieskau zijn statuur liever nederiger omschreven. Voor zijn laatste rustplaats, zei hij, volstond de aanduiding ‘musicus’. Maar wie willekeurig welk lied in een van de talloze Fischer-Dieskau verzamel-cdboxen beluistert, Schuberts beroemde ballade Erlkönig op tekst van Goethe bijvoorbeeld, weet wel beter. Hoor ze voorbijkomen: de ijlstem van het zieke kind, de geruststellend bassende vader, het voze gelispel van de elfenkoning die het kind tenslotte grommend het schimmenrijk in sleurt. Musici zijn talrijk, maar een bard als Fischer-Dieskau staat maar zelden op.

Zijn interpretaties van opera, liederen, oratoria en eigentijdse muziek maakten Fischer-Dieskau tot een levend ijkpunt voor collega’s en liefhebbers, die soms het podium besprongen om hem de voeten te kussen. Pas in 1993 trok Fischer-Dieskau, toen 68, zich na vijftig jaar op het podium terug als professioneel zanger. Een opname van Schuberts Winterreise, het werk dat hij in zijn leven veelvuldig zong en zo’n negen keer vastlegde, oogstte nare kritieken van journalisten die voordien zijn lof zongen. De stem deed niet meer wat het hoofd wilde.

Na zijn zangerspensioen echode Fischer-Dieskaus naam voort als norm voor de lied-interpreten ná hem. Velen van hen, onder wie Matthias Goerne, studeerden ook bij hem. Fischer-Dieskau bleef daarnaast actief als schrijver en publiceerde onder meer een belangwekkende studie over de liederen van Hugo Wolf (2003). Ook schilderde hij in zijn vrije tijd – naar verluidt grote, woeste doeken.

Dietrich Fischer-Dieskau werd in 1925 geboren in Berlijn. Zijn memoires vertonen gelijkenissen met de jeugdherinneringen van dirigent Bruno Walter of schrijver Klaus Mann. De zomers in de bergen, waar ‘Dieter’ in matrozenkiel de eerste Unterhaltungs-marsjes dirigeert. De speelkamer, waar hij in een bordkartonnen theater de muziekdrama’s van Wagner naspeelt met tinnen soldaatjes als ‘Meistersinger’. Dienstmaagd Else, voor wie hij in de keuken graag de gedichten declameert die hij leert op de school waarvan zijn vader voordien rector was. Een klassieke, Duitse jeugd, die door de Tweede Wereldoorlog werd afgebroken.

Luisteren naar Fischer-Dieskaus liedkunst is sowieso een muzikale pelgrimage door de twintigste eeuw. Dikke naoorlogse persingen uit de late jaren veertig en vroege jaren vijftig tonen een guitig jongemannengezicht en zo ook klonk zijn stem; pril en ontroerend breekbaar nog, al ligt de blauwdruk voor zijn bloeitijd in de jaren zestig en zeventig er óók al in besloten. Je kunt je zo voorstellen wat Fischer-Dieskau tijdens de oorlog als cultuurofficier moet hebben betekend voor zijn door heimwee geplaagde medesoldaten, die hij vanaf een laadtruck met Steinway in de bak troost bood met uitvoeringen van liederen van Schubert, Brahms.

Na de oorlog verrichtte Fischer-Dieskau wonderen voor de populariteit van het Duitse Lied – een genre dat al dreigde te worden afgeschreven als geparfumeerde Biedermeier-kunst. Dieskau zong en won wereldwijd harten en vijanden doordat hij zich niet alleen op vleugels van gezang liet drijven, maar de gezongen woorden ook liet spreken. Zelf legde hij liever de nadruk op de historische wortels van zijn kunst; zijn leraar was nog een leerling geweest van een collega van Clara Schumann en Brahms. „Die directe lijn van mijn eigen opleiding naar de wortels van de muziek die ik zing, dáár ben ik trots op.” Bovendien: zangers in zijn eigen jeugd hechtten óók gewicht aan een goede balans tussen woorden en muziek, nuanceerde hij. „Ik word vaak omschreven als een zanger die zich vooral met de tekst inliet, maar dat is onzin. De muziek komt voor elke zanger altijd op de eerste plaats.”

Fischer-Dieskau zong niet alleen lied, al was zijn lyrische bariton wel bij uitstek geschikt voor het intiemere repertoire. Maar ook als oratoriumzanger was hij groot, hij zong talrijke opera’s en gold als een specialist in het vertolken van eigentijdse muziek, met een accent op Britten, Reimann en Henze. Ook dirigeerde hij. In zijn autobiografie Nachklang schetste hij een meeslepend beeld van zijn lange loopbaan, waarin hij werkte met vrijwel alle grote dirigenten. Karajan, Bernstein, Klemperer, Fürtwängler, Jochum.

Na zijn afscheid van de bühne hoopte hij nog wat te schrijven, wat les te geven. „Weet u, als musicus wijd je je leven aan het overdragen van de muziek waarin je gelooft. Ik hoop dat die muziek en mijn interpretaties ervan nog van enig belang zullen zijn zolang ik leef. En heel misschien nog ietsje langer.”