Democratie is een onbetekenend credo Meer democratie heeft ons golven racistisch en anti-intellectueel populisme bezorgd

Democratie wordt opgehemeld als de beste staatsvorm aller tijden. Maar wat als ze niet werkt? Een plan B ontbreekt, stelt Mark Lilla.

People hold a placard reading "Democracy vs Real Democracy", during a protest at the May Day rally in the centre of Barcelona on May 1, 2012. Tens of thousands took to the streets across the globe for May Day to press for workers' rights amid tough economic times and to back an array of other causes. AFP PHOTO / JOSEP LAGO AFP

Alle ongelukkige echtparen lijken op elkaar. Als hun amoureuze verwachtingen niet worden ingelost, proberen ze hun partner te veranderen, of stappen ze uit de relatie. Wat ze het moeilijkst vinden, is om hun verwachtingen terug te schroeven.

In een soortgelijke staat verkeert op het ogenblik de liefde tussen de wereld en de democratie.

In Europa begint het geloof in het bouwproject van een verdraagzame, democratische, supranationale Europese Unie te wankelen, als gevolg van de immigratiepolitiek en de moeilijkheid om het economische en begrotingsbeleid in landen met heel verschillende politieke culturen te verzoenen. Om een antwoord op dit probleem te vinden, is er meer macht overgedragen aan de technocraten in de Europese hoofdsteden en Brussel, maar hiermee is het zogeheten democratische tekort in de EU opgelopen. Burgers in veel landen hebben het gevoel dat ze hun eigen lot niet meer in handen hebben (behalve de Hongaren, die hun onafhankelijkheid uitroepen door hun land minder democratisch te maken).

Het vertrouwen van Amerikanen in het vermogen of zelfs de bereidheid van Washington om in het algemeen belang te regeren, is nog nooit zo laag geweest. Populistische politici en mediademagogen die principieel het idee verwerpen om door democratische consensus collectief te handelen, verspreiden onzinnige fantasieën over een minimale staat.

Tot slot heeft het plezier waarmee het Westen tijdens de Arabische Lente tirannen zag vallen, plaatsgemaakt voor ongerustheid over de theocratisering van de democratische politiek en de mogelijke bedreigingen voor de rechten van vrouwen en religieuze minderheden.

Vreemd genoeg is onze gehechtheid aan het denkbeeld van de democratie nog nooit zo sterk geweest. Zoals Nobelprijswinnaar Amartya Sen (economie) eens opmerkte, is „de democratie het dominante geloof in de hedendaagse wereld geworden [...], als de ‘standaardinstelling’ in een computerprogramma”. Hoe is dit gekomen? Hoe heeft het woord ‘democratie’, bedacht ter omschrijving van een eigenzinnige regeringsvorm in een paar Griekse stadstaten, in onze tijd het voorwerp kunnen worden van een hartstochtelijk, universeel geloof? Hou deze vraag even vast.

In de oudheid hadden denkers weinig goeds te zeggen over de democratie. Voor hen betekende democratie bestuur door het gepeupel, zwakke instellingen, blootstelling aan verovering, en een voorliefde voor demagogie die de deur opende naar tirannie. Meer dan duizend jaar was dit de heersende opvatting over democratie in Europa. Ze leek te worden herbevestigd door de ervaring in de Middeleeuwen en de Renaissance met de Italiaanse stadstaten. Deze kwamen met de regelmaat van de klok op en gingen weer onder, waren altijd in oorlog en eindigden meestal in handen van machtige familiedynastieën. Nog tot in de achttiende eeuw waren de meeste progressieve denkers verlichte monarchisten en geen democraten. Ze stelden prijs op gerechtigheid, de rechtsstaat en een bekwaam en onkreukbaar openbaar bestuur.

Zelfs de Amerikaanse Founding Fathers beseften de tekortkomingen van de Italiaanse republieken en waren van mening dat een functionele, moderne democratie ondemocratische beperkingen vergde, zoals een geschreven Grondwet, een systeem van institutionele checks and balances en onschendbare, individuele rechten. Het systeem dat zij schiepen, vertoonde nog maar een vage gelijkenis met de oorspronkelijke vorm van de Griekse democratie.

Het grootste deel van onze geschiedenis verwees de term ‘democratie’ naar een regeersysteem – en niet zo’n heel goed systeem. Het werd beschouwd als een middel om politieke doelen te bereiken en niet als een politiek doel op zichzelf. Dit veranderde na de Amerikaanse en vooral de Franse Revolutie. Ook al leefden de meeste Europeanen de hele negentiende eeuw nog onder monarchieën, er had een intellectuele verschuiving plaatsgevonden waardoor democratie de enige legitieme vorm leek van zelfbestuur. De betekenis van ‘democratie’ werd onherkenbaar opgeblazen en strekte zich ten slotte uit tot abstracte beginselen die nog moesten worden verwezenlijkt (les droits de l’homme), innerlijke, persoonlijke ‘waarden’ (zelfbeschikking, zelfontplooiing), een mythische toekomstige maatschappij, het messiaanse doel van de wereldgeschiedenis en nog veel meer.

Toen aan het begin van de twintigste eeuw echte, bestaande democratieën deze onbereikbare doelen niet wisten te verwezenlijken, kwam er een krachtige reactie, met resultaten die we allemaal kennen. De Verenigde Staten ontsnapten aan dit gevaar, alleen al omdat het Amerikaanse dogma inhoudt dat alle problemen van de democratie zijn op te lossen met meer democratie. Dit heeft ons golven van anti-intellectueel en racistisch populisme bezorgd die zich moeilijk laten bedwingen, zoals we op het ogenblik zien.

In iets meer dan twee eeuwen heeft ‘democratie’ zich ontwikkeld van een slechte regeringsvorm, via een vorm die goed of slecht kon zijn en een historisch ideaal dat altijd goed was tot het woord dat we gebruiken voor al het goeds wat we ons maar kunnen voorstellen.

Een term die alles betekent, is gevaarlijk. Neem de manier waarop wij denken en praten over politiek in de zogeheten ontwikkelingslanden, waartoe ook oorden behoren met zwakke of niet-bestaande staten en volkeren met een beperkte ervaring met zelfbestuur. De bittere waarheid over veel van deze landen is dat een liberale democratie er geen realistische mogelijkheid is en dit bij ons leven of dat van onze kinderen of kleinkinderen ook niet zal worden. Te veel factoren werken tegen: clan- en stamverbanden, militaire vleugels, etnische verdeeldheid, gehechtheid aan ondemocratische, religieuze wetten, analfabetisme, economische oligarchieën. De lijst is lang. Toch lijken we steeds minder in staat ons een beeld te vormen van de ondemocratische omstandigheden waarin de meeste mensen in de wereld leven, en in de nabije toekomst zullen blijven leven. Onze politieke filosofen hebben diepzinnige en prachtige dingen te zeggen over de theorie en praktijk van de democratie, maar helemaal niets over het politieke leven van deze mensen.

Met andere woorden: we hebben geen plan B. Toen Aristoteles de politieke regimes van het oude Griekenland onderzocht, constateerde hij dat er zes grondvormen waren: koningsschappen en tirannieën geregeerd door één man, aristocratieën en oligarchieën geregeerd door een paar families en constitutionele regeringen en democratieën geregeerd door velen. Ook aan de goede regeringsvormen zag hij voor- en nadelen, afhankelijk van de plaats waar de staat zich bevond, welk volk er woonde en wat de gewoonten waren. Zijn boek Politika was een realistische leidraad voor begrip en verbetering van het politieke leven, ongeacht de eigen standpunten.

Zo’n boek hebben we niet meer. We zouden iedereen wantrouwen die het probeerde te schrijven. Sinds de val van de Sovjet-Unie maken we alleen nog onderscheid tussen functionerende democratieën en landen die worden beschouwd als ‘onderweg’ hiernaartoe. Dit verklaart mede hoe de Amerikanen zo dom konden zijn om tien jaar geleden in bezet Afghanistan en Irak meteen een eind te maken aan bestaande politieke partijen, staande legers en traditionele instellingen van politiek overleg en gezag. Ze waren gewoon niet in staat om hierover na te denken. Het enige wat ze konden, was nieuwe Grondwetten ontwerpen, parlementen en presidentschappen instellen en daarna verkiezingen uitschrijven. Als deze instellingen tekort zouden schieten, kon dit toch alleen de Afghanen en Irakezen zelf worden verweten?

We hebben deze film eerder gezien, maar we vergeten altijd het einde. Zonder een rechtsstaat en een Grondwet die wordt geëerbiedigd, zonder een vakbekwaam ambtelijk apparaat dat burgers gelijk behandelt, zonder een leger dat ondergeschikt is aan een burgerregering, zonder regelgevende instanties die economische transacties transparant houden, zonder sociale normen die aansporen tot maatschappelijke betrokkenheid en gehoorzaamheid aan de wet – zonder dit alles is de moderne democratie onmogelijk.

Andere vormen van regering en maatschappelijk leven – waarvan sommige heel fatsoenlijk – zijn misschien wel mogelijk, maar we weigeren ze ook maar in overweging te nemen. Zo blijven we maar landen ‘democratieën’ noemen die wel verkiezingen houden, maar waar de institutionele en sociale randvoorwaarden voor democratie ontbreken, en creëren we steeds weer nieuwe teleurstellingen.

We stellen niet alleen onszelf teleur. Het woord ‘democratie’ is over de hele wereld hard op weg het voorwerp te worden van politiek geloof. De taferelen van mensen die de straat opgaan om democratie te eisen, hebben iets dramatisch en ontroerends. Over de verspreiding van deze aspiratie in onze tijd is een bezielend verhaal te vertellen, te beginnen in Oost-Europa, daarna in de voormalige Sovjet-Unie, Iran, bepaalde Arabische landen en nu zelfs in Birma.

Maar we ontdekken ook dat niet iedereen die zegt democratie te willen, in een land wil leven waar vrouwen rechten hebben tegenover hun man, kinderen rechten hebben tegenover hun ouders, de wet seculier is en tolerantie van andere godsdiensten en etnische groeperingen verplicht is. Een aantal mensen dat tijdens de Arabische Lente „democratie nu!” scandeerde, zal teleurgesteld zijn als Arabische landen niet op westerse gaan lijken, terwijl de mensen vlak naast hen op dat plein teleurgesteld zullen zijn als dit wel gebeurt. Veel van deze laatsten treden toe tot onverdraagzame politieke partijen, waarvan de verbondenheid met de rechtsstaat en de fundamentele mensenrechten op zijn zachtst gezegd twijfelachtig is.

Mondiaal zien we een revolutie van groeiende politieke verwachtingen waaraan geen enkele regeringsvorm, laat staan een historisch eigenaardige en sociaal complexe als de democratie, ooit tegemoet kan komen. We lijken niet in staat onze verwachtingen terug te schroeven of op zoek te gaan naar alternatieve regeringsvormen die zouden kunnen voorzien in de basisbehoeften die iedereen lijkt te hebben: de beëindiging van willekeur en maatschappelijke stilstand, een zekere mate van persoonlijke vrijheid en economische groei. Het betere is de vijand van het goede geworden en wordt binnenkort misschien nog wel de bondgenoot van het slechtste.

We weten allemaal wat er gebeurt als revoluties mislukken. Dan begint een nieuw tijdperk van reactie.

Mark Lilla is hoogleraar geesteswetenschappen aan Columbia University in New York. ©Neue Zürcher Zeitung.