De oorlog kennen van horen zwijgen

Toef Jaeger neemt deze week de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Met eendagsvliegen, zelfportretten en een revolte in vogelvlucht.

De Brieven aan een jonge dichter (Vert. Theodor Duquesnoy, Balans, 62 blz. € 14,95) van Rainer Maria Rilke zijn negen epistels, gericht aan Franz Xaver Kappus, een jonge collega die zijn relatieve roem alleen te danken heeft aan het feit dat hij degene was tot wie Rilke zijn overwegingen over de dichtkunst – en ook het leven – richtte. Een groot dichter was Kappus niet, Rilke legt zoveel nadruk op stilte en afzondering dat je deze brieven kunt beschouwen als een omslachtige manier om te zeggen: Franz, hou er mee op. Zo leest Jean Pierre Rawie ze in elk geval, blijkt uit zijn inleiding: Rilkes adviezen zijn geen instructie maar een poëtische autobiografie. Het is een mooi stukje waarin Rawie eigenlijk hetzelfde doet als Rilke: afstand nemen en een zelfportret schetsen, van een jonge Rawie op zoek naar een handboek voor dichters, bij voorkeur met lessen voor het leven.

Ook Jessica Durlacher zoekt in haar bundel Musk en andere vertellingen (De Bezige Bij, 478 blz. € 19,90) naar een zelfportret. ‘Autobiografica’ heet het laatste deel van de verzameling eerder gepubliceerde verhalen, feuilletons, lezingen en novellen. Daarin speelt de relatie tot haar vader, zijn verleden en ook de komst van haar zoon een grote rol. „Wat ik van de Tweede Wereldoorlog weet is begonnen als van horen zwijgen.” Hoe dat van horen zwijgen is omgezet in boeken, brieven en een geladen pistool, is een rode draad in dit deel. Gerhard Durlachers (1928-1996) kampverleden is redelijk bekend, maar even pijnlijk blijvend bij herlezing, zoals ook de verhalen, hoe licht soms ook, nog steeds vaak geestig zijn. Hoewel de herhaling over de geboorte van haar zoon die – weinig verrassend – het meest volmaakte wezen is dat er bestaat, er wel even uit geredigeerd had mogen worden.

Korte portretten zijn het in Eenmaal oranje (Amstel Sport, 160 blz. € 17,95) van Karel Smouter en Remko den Boef waarbij je je afvraagt wat erger is: het Nederlands elftal nooit halen of maar één keer? Het tweetal begint bij Bert van Marwijk na dat droevige verlies tegen Joegoslavië in 1975 in zijn enige wedstrijd voor Oranje. Veel andere spelers zijn merkbaar geknakt na hun eenmalige selectie. Wat het begin van de glorietijd had moeten worden, bleek een eenmalig hoogtepunt voor onder anderen Barry van Galen, Joop Lankhaar, Fred Rutten, Ugur Yildirim, Marcel Peeper. Alles is tragisch aan het verhaal van Peeper: hij werd na nog geen twintig minuten uit het veld geschopt in een vriendschappelijke wedstrijd tegen Rusland en zou zijn niveau nooit meer halen. Maar meestal is de toon lichter in verhalen waarin steeds een andere schuldige aan te wijzen valt: een onwillige bondscoach, een dwarsliggende club, en ook Ajacieden in het algemeen (zeker bij PSV-ers). Zelden geeft een speler toe dat hij zelfs die eenmalige selectie niet had verdiend.

De haast straalt af van Mozaïek van de revolutie (De Geus, 510 blz. € 19,90) van Monique Samuel, maar misschien is ‘urgentie’ een betere term. Vanuit het appartement van haar oma in Kairo schetst Samuel, die sinds het midden van de Arabische lente veel door het Midden-Oosten reisde, een portret van het gebied. De weerslag is in dit boek op een hoop gegooid: binnen een maand na de ondertekening van het nawoord ligt het in de winkel. Waarschijnlijk zal het over een paar jaar mogelijk zijn om deze 500 pagina’s met de helft te bekorten en een bezonnen blik te geven – maar dat was nu kennelijk niet de bedoeling. Samuel laat de chaos zien, de onvoorspelbaarheid, de razendsnelle ontwikkelingen en de eeuwenoude tradities, in verhalen, krantenknipsels, citaten, websites (in de vorm van QR-codes), grotendeels ongeordend, onder het indirecte motto: hier lezer, dit heb ik gezien, begrijpt u het?

Verder weg van Samuels betrokken hectiek kun je waarschijnlijk niet komen dan met Reuzenland (Elsevier Boeken, € 14,95) van H.M. Krabbé (grootvader van Tim en Jeroen Krabbé). „Wat is ons Holland toch klein, vergeleken bij het reuzenland Amerika”, merkt deze schilder op – wat nogal wereldvreemd zou klinken, ware het niet dat dit een reisportret uit 1893 is. De reis van New York naar Chicago duurt 20 uur met de trein, een tempo dat de ziel (die immers te paard reist) altijd nog beter kan bijbenen dan dat van de multimediale Samuel. Verder verlaat Krabbé New York niet, en daar kijkt hij goed rond, met oog voor details die hij beschrijft en ook tekent. Een aardig tijdsdocument, aangevuld met schildersportretten en licht hautaine overwegingen over carnaval: „Dit stoetje is echt provinciaal, maar toch grappig.”