De kauwgompopmultinational

De New Look, het Bauhaus, de femme fatale. Europa is meer dan economische kommer en kwel. In een serie over cultuur die het continent bindt: het Eurovisiesongfestival en de intelligente pop van ABBA.

ABBA (Benny, Frida, Anna en Björn) op 6 april 1974, niet lang voor het winnen van het Songfestival

Bij Waterloo begon de victorie – althans voor ABBA, het Zweedse viertal dat van het midden van de jaren zeventig tot het begin van de jaren tachtig de hitparade domineerde en daarna zou uitgroeien tot een van de invloedrijkste popgroepen aller tijden. Anni-Frid Lyngstad, Benny Andersson, Björn Ulvaeus en Agnetha Fältskog wonnen op 6 april 1974 in Brighton het 19de Eurovisiesongfestival met Waterloo, een kauwgomrocknummer over een smoorverliefde vrouw. ‘Bij Waterloo gaf Napoleon zich over’, zongen de blonde Anna en de bruinharige Frida tweestemmig nadat rollende gitaren het liedje hadden ingezet. ‘En mijn lot is min of meer hetzelfde’. Waarna de plonkende piano-akkoorden van Benny het slot van het eerste couplet omlijstten: ‘The history book on the shelf / is always repeating itself’.

Niet alleen het tempo van het liedje of het aanstekelijke arrangement maakte ABBA bijna veertig jaar geleden tot een instant-sensatie, ook de presentatie. In voorgaande jaren was het toppunt van eigenzinnigheid Sandie Shaw geweest, die op blote voeten (naar verluidt omdat ze bijziend was en op deze manier zonder bril de snoeren op het podium kon voelen) Puppet On A String naar de overwinning had gezongen. Maar dat was niets vergeleken bij de ABBA-act, te beginnen bij de Zweedse dirigent van het BBC-orkest, die opkwam als Napoleon. De glitterpakken, de kniehoge laarzen en de gitaar in de vorm van een ster van Björn, de enkellange rok van Frida, de felblauwe pofbroek met bijpassend mutsje van Anna – het was allemaal over the top, maar maakte diepe indruk op honderd miljoen televisiekijkers. Negen nummers later werden de stemmen van de 17 deelnemende landen uitgebracht en won ABBA met overmacht van onder meer Mouth & McNeal (die een derde plaats haalden met het in het Engels gezongen Ik zie een ster) en Olivia Newton-John (die het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigde met Long Live Love).

Waterloo werd een Europese hit, en de eerste Zweedse songfestivalwinnaars begonnen aan een carrière die zou leiden tot acht nummer-éénhits, dertien top-vijf-noteringen en een Nachleben van Stockholm tot Bakoe. Hun liedjes kenmerkten zich door ongecompliceerde melodieën en teksten zonder pretentie. Titels als Ring Ring, Honey Honey, I Do I Do I Do, Money Money Money en Gimme! Gimme! Gimme! maakten duidelijk dat Agnetha, Björn, Benny en Anni-Frid niet geïnteresseerd waren in wat in de jaren zestig ‘de boodschap’ was gaan heten. In de beste Zweedse traditie bleven zij altijd middle of the road, trouw aan de braafheid die de winnaars van het Songfestival paste. Ze waren voor de jaren zeventig wat de Beatles waren voor de Sixties en Michael Jackson voor de jaren tachtig: een hitmachine die een breed publiek wist te bereiken zonder muzikaal te vervlakken.

De composities van Andersson & Ulvaeus mochten dan poppy klinken en binnen een mum van tijd meezingbaar zijn, ze zaten ingenieus in elkaar, verweefden musicalmelodieën met discoritmes, waren op een originele manier gearrangeerd en verveelden zelfs niet als ze grijs werden gedraaid. Terwijl in New York en Londen de punkrock zich af begon te zetten tegen tijdgeest van de jaren zeventig, maakte ABBA de popmuziek respectabel, jaren voordat Live Aid (1985) dat definitief zou doen. ABBA was zelfs zo respectabel dat het als een van de weinige westerse popgroepen werd gedoogd door de Sovjet-Unie van Brezjnev.

Op het hoogtepunt van ABBA’s roem was de groep het belangrijkste exportartikel van Zweden. In ruil voor ABBA-platen leverde het valuta-arme Oostblok zelfs scheepsladingen komkommers, cement en olie. Iedere plaat, film of tournee die ABBA maakte veranderde in goud, en gedurende twee jaar was het winstpercentage van de band hoger dan dat van Volvo; in 1981 werd de groep aan de beurs genoteerd. ABBA werd nu officieel wat het van begin af aan geweest was: een efficiënte multinational, maar dan wel één waarvan muziek de core business was. De aanstekelijke niets-aan-de-handsound (SOS, Mamma Mia) en de intelligente sneeuwkoninginnepop (Knowing Me, Knowing You en The Name Of The Game) kon dan ook rekenen op de bewondering van grootheden als Pete Townshend, The Sex Pistols, Elvis Costello, en buiten Europa onder meer Madonna, Randy Newman en Nirvana.

Nog groter was de invloed van ABBA op het Eurovisiesongfestival, dat in 1956 was ontstaan als een Zwitsers initiatief om de Europeanen te verbroederen en dat ondanks ingrijpende wijzigingen – het toetreden van 44 landen (ook van buiten Europa), het laten vallen van de verplichting om in de landstaal te zingen, het invoeren van halve finales, televoting – nog steeds het meest bekeken televisieprogramma zonder sport is.

In de jaren tussen 1974 en 1982 leek het bijna alsof je een ABBA-kloon moest zijn om ver te komen, zoals onder meer Teach-In, The Brotherhood of Man en Bucks Fizz bewezen. Maar ook daarna was de geest van Waterloo vaardig over de circusacts waarmee winnaars in spe probeerden de aandacht te trekken van het inmiddels half miljard kijkers. De outfits van Anna en Frida waren juten zakken vergeleken met de uitzinnige kostuums van winnaars als Dana International (1998) en Ruslana (2004). De stergitaar van Björn evolueerde tot de fantasy-creaties van de Finse hardrockgroep Lordi (2005), nog steeds de krankzinnigste act die ooit heeft gewonnen. In dat licht is de indianentooi waarmee Joan Franka dit jaar de Nederlandse voorrondes van het songfestival opluisterde nog een bescheiden erfenis van het jaren-zeventigmutsje van Agnetha Fältskog.