De duivel uitlachen

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: een jaar in bed.

Vanaf het moment dat ik de titel zag, is er een enorm verlangen in mij losgemaakt: The Woman who Went to Bed for a Year. In het laatste boek van Sue Townsend stapt een vrouw, Eva, op de dag dat haar zeventienjarige tweeling op kamers is gegaan, in bed en blijft daar een jaar. Een jaar! In bed!

Het boek ligt naast mijn kussen, al een maand, en hoewel ik pas op bladzijde 135 ben (ik val steeds in slaap) beheerst het de hele dag mijn gedachten. Van de achterflap weet ik dat Eva gedurende het jaar dat zij in bed blijft, een cultstatus verwerft. Voor haar huis staan rijen fans die hopen een glimp op te vangen van deze ‘engel’, die zich heeft vrijgemaakt van banale, aardse zaken.

In 1859 bleef een man (Oblomov) honderdvijftig bladzijden lang in bed en werd hij als lui en indolent gezien. Anno 2012 blijft een vrouw (Eva) 437 bladzijden in bed en ze wordt een heldin. Dat zegt iets over deze tijd en moderne verlangens, althans over die van mij: elke avond als ik het licht uit knip, denk ik: had ík maar de kracht om een jaar in bed te gaan liggen.

Voor zo’n zelfgekozen bedrust bestaat opvallend genoeg geen woord, en dat heeft natuurlijk maar één reden: het is taboe. We kennen wel ‘sterfbed’, ‘kraambed’ en ‘bedje van sla’, en dat zijn ook precaire zaken, maar daarover hebben we blijkbaar leren praten. Ze zijn waarschijnlijk ook minder ontregelend dan een vrouw die een jaar in bed blijft.

Ik snap het wel: van een middagdutje is allang bekend dat het verkwikkend werkt. Wie elke middag een half uurtje gaat liggen, heeft daarna aantoonbaar meer energie en bovendien minder kans op hoge bloeddruk en hartkwalen. Hoe heilzaam moet het dan wel niet zijn om een jaar in bed te liggen? Maar daar mag natuurlijk niet over gesproken worden, want wat als iedereen dat opeens gaat doen?

Twee jaar geleden, toen ik net weer alleen woonde, was mijn vers opgeknapte bedstee nog de ideale plek voor een langdurig verblijf: kaal, fris, wit. Op de muren waren nog geen muggen uitgesmeerd. De kleren hingen nog in de kast. De zon viel in reepjes door de houten luxaflex. Hier zou ik de rust vinden die ik al zo lang zocht.

Inmiddels gebruik ik mijn bed voor zaken die anderen aan de keukentafel doen: webwinkelen, lezen, artikelen schrijven, telefoneren, film kijken, eten, nagels vijlen, tanden stoken, telefonisch vergaderen, telebankieren, mail wegwerken – en dat liefst allemaal tegelijk. Mijn matras is een kantoor geworden waar ik al multitaskend in de kussens zit, zogenaamd ‘lekker in bed’. Maar met ontspannen heeft het weinig te maken. Daarom wil ik zo graag doen wat Eva uit het boek van Sue Townsend doet: in bed gaan liggen en zien of ik mijn eigen gedachten nog kan horen.

„Bluf”, zegt mijn huidige verkering. Hij denkt dat ik dat niet kan. „Jij moet altijd iets doen, anders ben je niet te genieten.” Hij denkt dat ik voor iets op de vlucht ben. Zelf kan hij heel goed in bed liggen – dagen, weken, maanden als het moet. En dat noem ik dan weer vluchten; je ogen sluiten voor de werkelijkheid. Maar dat zie ik verkeerd, zegt hij. „Wie alsmaar aan het rennen is, heeft de duivel op zijn hielen. Wie in bed gaat liggen, lacht hem juist recht in zijn smoelwerk uit. Dat moet je durven.”

Vandaag zal ik dapper zijn, een beetje. Ik blijf in bed liggen. Ik kom er pas weer uit als ik mijn boek uit heb.