De duisternis in, met zicht op de drachme Hoe open je ’n Nederlandse bankrekening?

Nu de Grieken half juni opnieuw naar de stembus moeten, stijgt de spanning in Athene. „Wie geeft er een ruk aan het stuur?” Uit het notitieblok van Marloes de Koning.

Woensdag lijkt de paniek toegeslagen: er wordt veel gepind. Foto Reuters

De drukke vierbaansweg naar het verkeersplein dichtbij mijn huis in Athene is ’s avonds afgesloten door de politie. Net als op een autovrije zondag loopt iedereen midden op de weg, aangetrokken door de zee rode vlaggen in het licht van de schijnwerpers in de verte. Ik loop mee, weg bij de televisie en bij Twitter. De formatie sleept zich toch maar voort.

Voor het gebouw van een van de vakbondskoepels is een podium gebouwd en wordt ritmisch gescandeerd en geklapt. De campagne voor de komende verkiezingen is al begonnen. Dat ondertussen nog wordt onderhandeld, interesseert de mensen hier niks.

Jongeren verkopen de krant Rizospastis (Radicaal). Nootjesverkopers duwen hun waar voor zich uit door de menigte. Bij het busstation waar geen bus meer door kan rijden, hangt een doordringende barbecuelucht. Drie karren grillen tegen elkaar op. Sportwedstrijd, braderie of demonstratie – een mensenmassa betekent vleesomzet.

De leider van de communistische partij, een kleine sober geklede vrouw met kort haar, staat op het podium. Ze spreekt lang en in korte stotende zinnen. Zoals vaker in Griekenland ervaar ik een historische sensatie. Ik waan me in een tijd die ik zelf niet heb meegemaakt. Klonk de CPN in Nederland vroeger zo?

Ik knoop een gesprek aan met een groep studenten, onder wie Vasiliki (24). Ze is beeldschoon, heeft lang donker haar, krullende wimpers en een kleine neusring. We kletsen een kwartier, heel vriendelijk, maar het is alsof we elkaar niet echt verstaan. Onze uitgangspunten zijn zo verschillend. Ik met mijn Nederlandse liberale DNA en mijn oriëntatie op marktwerking, zij al haar hele leven communist. Op elke vraag volgt eenhelder antwoord zonder grijstinten, en toch is het net alsof ze niets zegt.

De wereld is niet eerlijk en moet dus anders. Daar kan ik weinig tegen in brengen. Maar vertrek uit de euro leidt wellicht tot grotere armoede? „We hebben nu ook nergens geld voor.” En als we het over de Europese Unie hebben: „De EU is nu geen unie van volkeren, maar van bezitters”. Ze zoekt even naar woorden: „Zoals fabriekseigenaren.”

Ik wandel terug. Voor nieuws moet je niet bij de communisten zijn.

Ik merk dat ik mezelf op straat door de ogen van Grieken bekijk. Groot en blond, dus vast een Duitser. Vanmiddag berichtten Griekse media over een oudere Nederlander die in elkaar is geslagen door twee mannen. Ze hadden gevraagd of hij Duits was en vonden toen dat Duits en Nederlands toch min of meer hetzelfde zijn. Het gebeurde zondagochtend vroeg, toen de 78-jarige man zijn hondjes uitliet op het strand voor zijn huis. Een raar verhaal.

Zo ken ik de Grieken niet. Maar er is wel iets veranderd. Toen ik laatst bij een kiosk in Thessaloniki stond om de voorpagina’s van kranten te bekijken die met knijpers aan het luifeltje hingen, siste een oudere man me opeens toe. Die Nazi-verbrecher kommen wieder. En weg snelwandelde hij. Ik moest lachen. Een held op sokken.

De hoop op een coalitie is vervlogen. En onmiddellijk hervat het financiële schimmenspel zich, met een hoofdrol voor beurskoersen, spreads en ratings. Terugkeer naar de drachme lijkt opeens reëler dan ooit. Ik moet denken aan een column van Nikos Dimou eerder dit jaar, over zijn herinneringen aan de munt. Willem Ledeboer van het Nederlands Instituut heeft hem vertaald.

„Aan het eind van de bezetting gaf mijn moeder me 1 miljard drachme om een brood te gaan kopen. Voor alle serieuze transacties werden gouden Engelse ponden gebruikt.

„Ik hoor nu zeggen dat we terug zullen gaan naar de drachme en ik begrijp naar welke drachme we terug zullen gaan. Niet naar de drachme die we tot 2000 hadden, de door leningen opgeblazen munt, maar naar de drachme van na de bezetting, die van de inflatie, die het papier waarop hij gedrukt werd nog niet waard was.

„Ik ben in de tijd van de drachme geboren – maar ik zou niet in de tijd van de drachme willen sterven. En ook niet terug willen keren naar de duisternis van de zogenaamde ‘goede oude tijden’ zonder verwarming, auto’s en uitvallende elektriciteit. Ik hoop dat we, zij het op het allerlaatste moment, een ruk aan het stuur zullen geven om het ravijn te vermijden.” Dimou geeft het gevoel duidelijk weer: Grieken zijn niet nostalgisch over hun munt.

Op straat is niets bijzonders te zien. De buurtwinkel is open. In het park aan het einde van de straat spelen kinderen van Albanese gezinnen uit de buurt. De bussen rijden nog. Er komt geld uit de muur. Ondanks de groeiende armoede word ik vrolijk van dit Griekenland, waar in de goot heerlijk geurende valsinaasappelen liggen in plaats van hondenpoep.

Terug naar die andere werkelijkheid. De woorden zijn zwart geworden. „Het is moeilijk om je land voor je ogen ineen te zien storten”, zegt George Nikolopoulos, columnist op de populaire nieuws- en discussiesite Protagon.gr. Tijdens ons gesprek probeer ik voorzichtig een theorietje op hem uit. Omdat Grieken, op basis van ervaringen uit het verleden, geen enkel vertrouwen hebben in hun overheid, schatten ze alles negatief in. Alsof de hervormingen die met hangen en wurgen worden doorgevoerd nooit tot iets positiefs zullen leiden. Alsof een minister nooit zonder eigenbelang iets goeds kan doen. De nieuwe belasting op onroerend goed heet in de volksmond direct haratzi, naar belasting geheven door de Turkse onderdrukker. Nederlanders zijn het tegenovergestelde. Die denken alles te hebben afgedekt en doorgerekend, met het Centraal Planbureau als een soort ingebouwde IMF-missie.

Het gaat veel te langzaam en de EU anticipeert tergend traag, maar er zijn hervormingen, hang ik de optimist uit. Nog tijdens het gesprek begrijp ik via Twitter dat Eurostat heeft berekend dat de Griekse economie in het eerste kwartaal 6,2 procent is gekrompen. Als dat in het land niet het grootste voorpaginanieuws is, weet je dat je in de problemen zit, schrijft iemand.

Columnist Nikolopoulos geldt als een uiterst Europees georiënteerde Griek. Hij woont in een van de rijkere wijken van Athene, waar eenvijfde van de inwoners op een liberale partij heeft gestemd, die de kiesdrempel niet haalde. Nog niet zo lang geleden dacht ik zoals jij, zegt hij. Tegenwoordig kan hij niet anders dan concluderen dat het nationale eigenbelang binnen de EU het keer op keer wint van het gezamenlijke. Duitsland is hard tegen de Grieken, omdat dat op korte termijn beter is voor de Duitsers, niet omdat de Duitsers om de Grieken geven , zegt hij. „Ik kan er niets aan doen, maar op het moment heb ik geen hoop.”

Als ik een Griekse kennis bel om de stemming te peilingen, komt ze direct met een tegenvraag: hoe open je een Nederlandse bankrekening als je geen adres in Nederland hebt? Kan dat? Opeens lijkt de paniek toegeslagen. En het is besmettelijk.

Voor het eerst schiet door me heen dat ik misschien ook wat euro’s in huis moet halen. Genoeg om de komende twee weken te eten en tanken, voor als ik buiten Athene op reportage ga. Ik heb het nog niet gedaan, want het voelt slecht. Nooit gedacht dat ik medelijden zou kunnen voelen met zoiets abstracts als een noodlijdende bank.

’s Avonds ga ik iets drinken met psychologe Stavroula. Dat werkt als een kalmeringspil. Stavroula woont in een van de rijkere buurten in het noorden van Athene, Marousi. Ik ben iets te vroeg en maak een rondje door het winkelhart. Amper gesloten zaken, geen zwervers met ontstoken wonden op hun been. In Marousi kun je bijna doen alsof er geen crisis is. Behalve dat steeds minder patiënten geld hebben voor een behandeling, vertelt Stavroula. Patiënten die de psychotherapie zelf moeten opbrengen, vragen haar of het ook voor minder kan, dan zonder bon. Ik slik als we afrekenen. Acht euro voor een Belgisch biertje.

De Atheense binnenstad is het epicentrum van de crisis. Tien kilometer in een willekeurige richting en dat gevoel valt weg. Het centrum van de hoofdstad staat gelijk aan stakingen,vuilnis, uitlaatgassen. Op straat hoor je voortdurend het gerinkel van winkelwagentjes met restmetaal, voortgeduwd door Pakistanen en Afghanen die de vuilnisbakken leegstropen.

Vroeger liet je je geld zien. Tegenwoordig laten mensen uit de betere buitenwijken hun dure auto steeds vaker thuis als ze naar het centrum komen, of ze blijven dicht bij huis. Liever de Clio van ma. Het zou steeds vaker voorkomen dat auto’s expres worden bekrast. Of dat een anarchist een spiegeltje afbreekt om te laten voelen dat rijkdom niet langer gepast is. Mensen praten over ‘vrienden van vrienden’ die zich zo gedragen. Maar wie zegt dat ze het niet zelf zijn?

Iedereen is onzeker. Drie jaar lang stond het woord ‘crisis’ op alle voorpagina’s en nu zijn de hyperbolen uitgewerkt, de vragen te groot. Moet iedere Griek nu expert financiële markten en politiek analist tegelijk zijn? ‘Wat weet ik ervan’, zegt bijna iedereen aan wie ik iets vraag, als ze zin hebben om te praten. Wat is er over van al die Grieken met hun sterke meningen?

Panos Karkatsoulis is vrolijk, maar dat is hij, denk ik, altijd. Zo staat zijn hoofd. Een paar maanden geleden kreeg hij een Amerikaanse award als beste ambtenaar van de wereld, voor zijn inspanningen om de Griekse overheid te hervormen. Het rapport waarin hij heeft beschreven hoe het Griekse openbaar bestuur er aan toe is ,leest als een doodvonnis. Zijn kantoor zit boven een Starbucks die bij een van de laatste demonstraties is uitgebrand.

Alles wat hij zegt, klinkt grappig, maar oogt, zwart op wit, bloedserieus. Syriza, straks wellicht de grootste partij, belooft tienduizenden ambtenarenbanen te redden of zelfs te creëren. Karkatsoulis grijpt in zijn haar. Jesus Christ we betalen nu nog steeds voor dat soort experimenten van Andreas Papandreou, premier in de jaren tachtig. Op een serieuzere toon: „Syriza is daardoor typisch voor het clientèlesysteem waar we vanaf moeten. Want hoe begint zoiets? Met beloften.”

Een gesprek met Maria Bikou (64), de tante van een vriendin, houdt me lang bezig. Ze behoorde bij de oprichters van Pasok, de sociaal-democratische partij, maar daar stemt ze al jaren niet meer op. Vanaf begin jaren negentig was er geen aandacht meer voor mensen, alleen voor financiële deals, vertelt ze.

Nu kiest Bikou Syriza, de radicaal-linkse coalitie. Ze praat over partijleider Alexis Tsipras (37) als een jonge hond waarvoor we in Europa niet zo bang hoeven te zijn. „Ach, Andreas Papandreou riep voordat hij gekozen werd ook dat Griekenland geen lid van de Europese Unie moest worden en uit de NAVO moest stappen.” Draait wel bij, is haar ervaring. „Als je alleen oppositie gewend bent is je tong nog hard.”

Wat telt, zegt Bikou, is dat Grieken nu hun kans grijpen om een nieuwe generatie politici aan de macht te helpen. Mensen zonder vuile handen. Mensen die niet schuldig zijn aan de ontsporing van de economie. „Dat zou de EU ook moeten willen. Partijen die erop gericht zijn dat Griekenland op eigen benen kan staan.” Cynisch dat half Brussel nu duimt dat ze weer op Pasok stemt. Nu alles voor de stabiliteit, dan komen we later weer terug op die schone handen, ok?

Zoals meer oudere mensen maakt ze zich geen zorgen om zichzelf, maar om haar kinderen. „Die voelen dat Europa op hen neerkijkt.” Ze krijgt tranen in haar ogen.