Brief over de Nederlandse natuurkunde

Onze natuurkunde hoort tot de wereldtop

Walter Lewin is gek op natuurkunde. Dit draagt hij uit in mooie hoorcolleges. Dat is goed. Wat hij daarentegen over de Nederlandse wetenschap en het ontbreken van excellentie hierin zegt (NRC Handelsblad, 12 mei), is aantoonbaar onjuist. Dat is jammer. Bovendien gaat zijn verheerlijking van het hoorcollege voorbij aan didactische inzichten die bij Nederlandse universiteiten juist wel veel aandacht krijgen.

Op de vraag naar het verschil tussen het wetenschappelijke niveau in de Verenigde Staten en Nederland wijst Lewin op het ontbreken van centers of excellence in Nederland en het feit dat de onderzoeksfinanciering in de VS – anders dan in Nederland – loopt via strenge, in competitie verkregen projectvoorstellen (nogal onduidelijk door Lewin aangeduid als ‘externe funding’).

Beide beweringen zijn onjuist. Er zijn in Nederland onderzoekscentra die zonder meer behoren tot de wereldtop: AMOLF en Nikhef in Amsterdam, Kavli in Delft, Zernike in Groningen, MESA+ in Twente et cetera. Ook de bewering dat de onderzoeksfinanciering niet in competitie wordt verkregen, is simpelweg niet waar. Elke onderzoeksgroep in de natuurwetenschappen in Nederland bekostigt al haar promovendi, postdocs en nieuwe apparatuur met projectvoorstellen die worden ingediend bij NWO, FOM, STW of de Europese Unie. De competitie is moordend. Honoreringspercentages van minder dan 20 zijn standaard.

Het gevolg is dat de Nederlandse natuurkunde, anders dan Lewin suggereert, tot de wereldtop behoort. Waaruit blijkt dit? Niet uit het aantal Nobelprijswinnaars – zij krijgen hun prijs meestal op basis van werk dat enige decennia geleden is uitgevoerd – maar op basis van de gemeten impact van Nederlandse wetenschappelijke artikelen. Dit is een meer objectieve maat van actuele onderzoekskwaliteit, gebaseerd op aantallen citaties en de invloed van het tijdschrift waarin is gepubliceerd. Zoals blijkt uit een ranking van het Times Higher Education Supplement is de impact van de Nederlandse natuurkunde wereldwijd het hoogst, na die van Zwitserland.

In het interview met Lewin stond nog een markante opmerking. Zijn universiteit (MIT) eist dat 65 procent van alle extern geworven onderzoeksmiddelen wordt afgeroomd om de overheadkosten van de universiteit te bekostigen. Dit is absurd hoog. In Nederland varieert dit percentage tussen de 0 en 20. Het lijkt mij toch dat de belastingbetaler beter af is aan deze zijde van oceaan!

Ten slotte de didactiek. Een goed hoorcollege is prachtig, maar elke student en docent weet dat slechts een beperkt percentage van de gepresenteerde concepten en ideeën blijft hangen. Een hoorcollege is niet erg effectief als middel van kennisoverdracht. Moderne didactische inzichten tonen dat projecten, probleemgestuurd onderwijs, practica en werkcolleges – en dan het liefst gecombineerd in coherente, thematische clusters – een veel hoger rendement opleveren. Niet voor niets zijn veel Nederlandse universiteiten bezig deze inzichten te vertalen in vernieuwend bacheloronderwijs.

Hoe goed een college van Lewin ook zal zijn, natuurkunde leer je pas echt door het te doen.

Gerard van der Steenhoven

Voorzitter van de Nederlandse Natuurkundige Vereniging en decaan van de faculteit technische natuurwetenschappen van de Universiteit Twente