Het kleine huis in de tuin

In een tuinhuisje is het leven simpel. Men is er weg van alles en iedereen en toch dichtbij huis. Nooit meer naar de kantoortuin.

Je moet wel een tuin hebben. Maar dan is er van alles mogelijk. Je kunt in de tuin een Romeinse tempel zetten, of een Hobbithuis, of een mini-Mies van der Rohe. Niet planten maar bouwen. Een gewoon schuurtje is ook goed. Haal de fietsen en de grasmaaier eruit, zet er een bureau en een computer in en je hebt een tuinkantoor.

In het boek Shedworking voorspelt de Britse journalist Alex Johnson dat vanuit de schuur een revolutie begint. Die schuur ís zelfs de revolutie. Dankzij de computer en het internet is het mogelijk de files te vermijden en de trein te missen. Wie wil er nog naar kantoor als je ook thuis kunt werken? Maar thuis is vaak te klein voor een werkkamer en niet iedereen kan zich concentreren aan de keukentafel. Dus kijken mensen op van die keukentafel, zien door het raam hun tuin, en voor je het weet staat daar een tuinkantoor.

De revolutie is al lang geleden ingezet, zoals dat met revoluties gaat, krijgen ze, naarmate ze succesvoller zijn, in het heden meer medestanders in het verleden. Johnson weet tot in de klassieke oudheid voorlopers te vinden van het tuinkantoor. Van Plinius de Jongere tot Roald Dahl, van Harley en Davidson tot Snoop Dogg: allemaal hebben ze vanuit een tuinhuis, schuur of garage de wereld verblijd. De Britse autogoeroe Jeremy Clarkson gaat nog verder dan Johnson: „Elke uitvinding die er ooit toe heeft gedaan in de hele menselijke geschiedenis is afkomstig van een man in een Brits schuurtje”, zou hij gezegd hebben. Daarom is er nu een eivormige schuur in Middlesex naar Clarkson vernoemd, en die is genomineerd voor de ‘Shed of the Year’ 2012 – in Engeland is de schuur als werkkamer zo populair dat er zelfs een wedstrijd voor is.

In Nederland is er nog geen schuurverkiezing, maar er is wel een festival voor kleine gebouwen, het huttenfestival in Tilburg. Dit jaar is er een tuinhuisje genomineerd als gebouw van het jaar. Het is een prachtig huisje van populierenhout, ontworpen voor zijn eigen gezin door Haiko Meijer van architectenbureau Onix, dat op een volkstuincomplex in Groningen staat. Je zou het ook in je tuin kunnen zetten. Onix werd vorig jaar al genomineerd met de Veenkubus, een gebouwtje van 6×6×6 dat kan dienen als kantoor, atelier of zelfs woning.

Van zulke initiatieven zijn er nu een aantal. Behalve de Veenkubus is er de Hubbel, een ontwerp van Piet van der Werf en Floris van der Kleij. De Hubbel is ook een vierkant gebouwtje, dat zo klein is (iets meer dan 3×3×3) dat het zonder vergunning in de achtertuin geplaatst kan worden. Je kunt ook een tuinkantoor bestellen bij tuinkantoor.com of tuinkantoren.nl, waar een bestaande blokhut of een chaletje kan worden aangeschaft. Je kunt ook een zeecontainer aanpassen.

Huttenrage

Het hutje, huisje of schuurtje als werkkamer heeft ook in Nederland een traditie. Sommigen zijn zelfs monument geworden, zoals de schrijfhuisjes van Wim Kan en Top Naeff. Schilders als Mondriaan en Bart van der Leck werkten aan het begin van de vorige eeuw in houten huisjes in ’t Gooi, waar tot in de jaren twintig een ‘huttenrage’ woedde.

Geen kamer, maar een heel huisje voor jezelf. Zo zou je de aantrekkingskracht van het tuinkantoor kunnen samenvatten. Zelfs als je geen tuin hebt, is een tuinkantoor aantrekkelijk. Ik kan uren bladeren in Shedworking of op de blog kijken waar het boek uit voortkwam, shedworking.co.uk. Want het gaat niet alleen om de inhoud, maar ook om het uiterlijk, niet alleen om de functie, maar ook om de vorm. De aantrekkingskracht van het tuinhuis is de aantrekkingskracht van het poppenhuis – zo klein en toch net echt. En dan is het ook nog echt! Op de stoel kun je echt zitten, op de computer echt schrijven en uit het raam echt kijken. Het schuurtje is daarnaast het tegenovergestelde van een klooster, een gevangenis, een flatgebouw, van gebouwen met muren waarin niet één maar een heleboel mensen opgesloten zitten, in identieke cellen, in appartementen van dezelfde afmetingen en met dezelfde indeling. Wie wil daar niet uit ontsnappen?

En je kunt niets meenemen, want voor troep is in een schuurtje geen plaats, je zult het moeten doen met de basics. Je bagage moet je achterlaten. Erg is dat niet. Simpeler leven is beter leven. Ook het hutje zelf is basis: architectuur teruggebracht tot het minimum.

Tegelijkertijd is het schuurtje een benepen droom, een droom die een zekere berusting verraadt: een heel huis ontwerpen is vast niet voor mij weggelegd, maar een tuinhuisje, dat moet net kunnen.

Zie hoe ingenieus al die verschillende functies op een klein oppervlak zijn gerealiseerd. Het genot van een vliegtuigmaaltijd. En dan staat het ook nog eens in de tuin, dus toch een beetje in de natuur, en kun je je tuinhuis tot een eenzaam hutje op de hei dromen, tot een berghut, tot een Walden. Weg van alles en iedereen, maar je kunt om drie uur wel de kinderen van school halen.

Het maakt niet uit of de huisjes modernistische kubussen zijn, futuristische blobs of juist doen denken aan ‘het kleine huis op de prairie’, of ze van hout zijn of van glas en staal, voor kabouters gebouwd lijken of voor marsmannetjes ontworpen. Hutjes en huisjes worden niet vaak door beroemde architecten gemaakt; het is bescheiden architectuur. Er zijn uitzonderingen. Rietveld heeft een aantal tuin- en zomerhuizen gebouwd en was in de jaren dertig al bezig met het HZH, een demontabel houten zomerhuis dat als kant-en-klaarpakket geleverd had zullen worden, maar nooit in productie is genomen. Piet Hein Eek ontwierp een geweldige folly voor muzikant Hans Liberg, die van buiten op een stapel boomstammen lijkt.

Architecten maken tuinhuizen meestal alleen als ze ook de villa waar die bij hoort ontwerpen. In Bergen staan een paar prachtige tuinhuizen in Park Meerwijk; de tuinhuizen eigenlijk nog mooier dan de villa’s, want – zie boven. Of als ze voor zichzelf bouwen. Le Corbusier ontwierp in 1951 in minder dan een uur zijn Cabanon, een huisje van 3,6 vierkante meter aan de Rivièra. Het ziet er van buiten uit als het eerste beste chaletje, een vierkant van houten planken. Maar Le Corbusier schreef erover: „Ik heb een kasteel aan de Côte d’Azur. Het is extravagant in comfort en zachtheid.’’

Je kunt je afvragen waarom je eigenlijk nog een groot huis nodig hebt. Waarom niet helemaal verhuizen naar het tuin- of zomerhuis? In Amerika gebeurt dat al. Daar bloeit de small of tiny house movement. Deze beweging is ontstaan als reactie op de Mcmansions, de absurd grote huizen die de Verenigde Staten gewoon zijn geworden. Voorman van de beweging is Jay Shafer, die naar eigen zeggen sinds 1997 in huizen heeft gewoond die kleiner zijn dan de kasten van sommige mensen. Beter voor het milieu en beter voor zijn ziel, meent Shafer. Zijn bedrijf Tumbleweed Tiny House bouwt huizen tussen de 5 en de 70 vierkante meter. Shafer verkoopt bouwtekeningen, doe-het-zelfpakketten, en hele huizen. Uiteindelijk belanden ook die huisjes weer bij veel mensen als kantoor in de tuin.