Staatsvijand verlosser, anarchist

Ferdinand Domela Nieuwenhuis, oprichter van de socialistische beweging, leidde ‘een dwaalleven’, blijkt uit een nieuwe, meeslepende biografie.

Ferdinand Domela Nieuwenhuis, zoals beeldhouwer Johan Polet hem in 1931 portretteerde, op het Nassauplein in Amsterdam

Jan Willem Stutje: Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Een romantisch revolutionair. Atlas/Contact, 551 blz. € 34,95

De als ‘geleerde spreker uit ’s Gravenhage’ aangekondigde predikant had in het Belgische Gent voor een bomvolle zaal gezorgd. ‘Grond en bodem in gemeenschappelijk bezit’ was het thema van zijn lezing geweest. Omdat het een ‘Wetenschappelijke Avondstond’ betrof was arbeiders van tevoren verzocht kinderen jonger dan zeven jaar thuis te laten.

Toen Ferdinand Domela Nieuwenhuis – hij was de geleerde spreker – na afloop van zijn toespraak nog wat stond na te praten brak opeens tumult uit in de zaal. Onder het podium hadden de organisatoren tussen het spinrag een politiecommissaris betrapt die zich daar had verscholen. De man werd met zijn hoge hoed het podium op gesleurd om daar de hoon te ondergaan van de Gentse socialistenleider Edward Anseele. Onder het woedende geschreeuw van arbeiders droop de commissaris vervolgens af. Zo ging dat in de zomer van 1879.

Het is één de vele vaak hilarisch beschreven anekdotes in de vandaag verschenen biografie over Domela Nieuwenhuis, Nederlands’ beroemdste de anarchist, die leefde van 1846 tot 1919. In zijn leven groeide de van oorsprong Lutherse predikant voor vele armen uit tot een haast religieuze verlosser. Zijn uiterlijk en retorisch vermogen droegen bij aan het messiaanse beeld. De ‘heersende klasse’ beschouwde hem als staatsvijand nummer één.

In zijn biografie portretteert auteur Jan Willem Stutje Domela Nieuwenhuis consequent als ‘romantisch revolutionair’. Dit predicaat is in feite ook de rechtvaardiging voor opnieuw een boek met de levensgeschiedenis van één van de grondleggers van het Nederlands socialisme. Het is niet alleen de revolutionair, het gaat om de romantisch revolutionair. Tot 1993 heeft Domela Nieuwenhuis het zonder biografie moeten stellen. Dat jaar verscheen Domela, een hemel op aarde van Jan Meyers, waarvoor de auteur later nog de prestigieuze Dortprijs voor de biografie kreeg toegekend. Dat Stutje zich op hetzelfde, zeer omvangrijke, onderwerp heeft gestort – de in 1985 verschenen bibliografie met verwijzingen naar Domela Nieuwenhuis telde alleen al 917 pagina’s met onder meer verwijzingen naar 4500 publicaties van de hoofdpersoon – heeft te maken met het onvolledige beeld dat Meyers volgens Stutje heeft geschetst. Of zoals hij het in de inleiding stelt: ‘Meyers’ biografie stelt door het beperkte politieke kader teleur. Er is veel, soms al te sentimentele anekdotiek en het werk schiet tekort in de analyse van de sociaal-culturele context waardoor Domela te zeer als een geïsoleerde figuur wordt voorgesteld.’

De socialistische beweging aan het eind van de negentiende eeuw kan niet beschouwd worden als louter politieke organisatie, meent Stutje. Ook de ‘charismatische symbolen’ en de ‘romantisch revolutionaire inspiratie’ waarvan Domela ‘de voorbeeldige belichaming’ was horen er volgens hem bij. Vandaar zijn wat in geschiedwetenschappelijke termen ‘Umerzählung’ wordt genoemd: een nieuwe duiding en kritische analyse van het bestaande verhaal. Bovendien heeft Stutje dat verhaal kunnen aanvullen met nieuw materiaal, zoals briefwisselingen van Domela Nieuwenhuis met familie en geestverwanten en diens nog niet eerder gepubliceerde internationale correspondentie.

Zoals in het begin aangetoond schuwt ook Stutje de anekdotiek niet. Gelukkig maar; de tijd en de personen waren er naar. Het ‘format’ – om in tegenwoordige termen te spreken – was rauwe strijd en polarisatie. Die worden ook in de biografie van Stutje veelvuldig en beeldend beschreven. Soms neemt hij zelf ongemerkt terminologie uit die tijd over. Bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over het ‘gespuis’ dat Domela Nieuwenhuis belaagde of de ‘rode vaan’ die gehavend uit de strijd kwam.

Dat laatste suggereert vooringenomenheid, maar de biografie kenmerkt zich, zeker in de meer analytische delen, nu juist door een nuchtere, afstandelijke en kritische toon.

Zo noemt Stutje het antisemitisme waarmee Domela Nieuwenhuis behept was. Afkeer van joden was in die tijd ook onder socialisten een veel voorkomend verschijnsel. Naderhand is dit vaak gebagatelliseerd als eerder speels en folkloristisch dan haatzaaiend, maar volgens Stutje ging het antisemitisme van Domela Nieuwenhuis verder, en wilde hij het publiek er wel degelijk mee beïnvloeden. Zo typeerde hij Karl Marx eens als een ‘berekenende, diplomatiek aangelegde jood’, terwijl het blad Recht voor Allen waarvan Domela Nieuwenhuis oprichter en redacteur was, het in 1887 had over ‘joodse socialistenverdelgingsbendes’ en over effectenhandelaren sprak als ‘joodjes met hun bleeke schoeljesachtige tronies.’

Kritisch is Stutje ook over de door Domela Nieuwenhuis gepredikte gelijkberechtiging van vrouwen. In 1885 wees hij in één van zijn best verkochte geschriften (50.000 exemplaren) op de onderdrukkende rol van de man en de heersende sekseongelijkheid. ‘Waar alles voor geld te koop is kunnen we niet anders verwachten dan dat de prostitutie bloeit, dat het huwelijk een geldband is en de vrouw als voorwerp van genot verkort is in haar rechten, schreef Domela Nieuwenhuis. Zelf trouwde hij vier keer, drie keer werd hij weduwnaar. In zijn privé-omgeving golden de toen gebruikelijke man-vrouw verhoudingen, waarbij de vrouw niet alleen de man moest verzorgen, maar ook de man ‘het strijden gemakkelijker moest maken’, zoals hij in Recht voor Allen stelde.

Een welkome aanvulling op alles wat al over Domela Nieuwenhuis bekend was, is ontegenzeggelijk de uitvoerige beschrijving van diens internationale oriëntatie. Zeker in het huidige tijdsgewricht, waar voor talloze politici het buitenland niet meer lijkt te bestaan, valt op hoe verweven aan het eind van de negentiende eeuw de internationale politieke contacten waren, juist op het vlak van de ideologie. Over dat thema werd heel wat gecongresseerd. Over de inhoud van de leer en de weg er naar toe voerde Domela Nieuwenhuis correspondentie met Karl Marx en Friedrich Engels. Kopstukken van de internationale socialistische beweging ontving hij thuis of hij reisde naar hen toe.

In 1880 schreef Domela Nieuwenhuis aan Marx dat hij socialist was geworden na lezing van Das Kapital. Hij had zich aan een Nederlandse bewerking gezet en vroeg Marx of deze de drukproeven wilde nakijken. Die had daar geen tijd voor, maar hij liet Domela Nieuwenhuis per brief weten op zijn kennis te vertrouwen. Maar uit Marx’ in 1959 ontdekte exemplaar van de Nederlandse bewerking, vol onderstrepingen en op- en aanmerkingen in de kantlijn, bleek dat Marx verre van tevreden was over Domela’s uitleg van zijn theorie.

Marx was voor Domela Nieuwenhuis ook leidend bij zijn legendarische conflict met Pieter Jelles Troelstra, de andere Nederlandse socialistenleider. De laatste opteerde in 1894 voor de parlementaire weg, terwijl Domela Nieuwenhuis in navolging van Marx – althans dat dacht hij – koos voor ‘revolutie’ en ‘omverwerping van de maatschappelijke orde’. Arbeiders dienden zichzelf te emanciperen en niet van bovenaf gestuurd te worden, zoals Troelstra wilde. Dit alles om te komen tot een, aldus Stutje, ‘sociale en culturele verlossing.’ Van die verlossing was Domela Nieuwenhuis niet alleen de profeet, maar ook de personificatie. Toen in 1891 uit een postuum werk bleek dat Marx er anders over dacht en ook vond dat het proletariaat geleid diende te worden, was Domela Nieuwenhuis diep ontgoocheld. Hij bekeerde zich tot de Russische Marx-criticus en anarchist Michael Bakoenin.

In zijn in 1910 onder de titel Van Christen tot anarchist verschenen levensherinneringen schrijft Domela Nieuwenhuis: ‘Eindelijk was ik waar ik uitkomen moest.’ Het was zijn als het ware logische verklaring voor zijn overgang naar het anarchisme. Maar volgens zijn biograaf volgde Domela Nieuwenhuis’ intellectuele, filosofische, religieuze en politieke leven ‘allerminst een vastgelegd parcours’. Zijn leven lijkt meer op een ‘onvoltooide zoektocht een dwaalleven dat zich afspeelde op kronkelende soms uit het zicht verdwijnende wegen.’

In de nu uitgekomen biografie beschrijft Stutje deze zoektocht doorwrocht, kritisch, meeslepend, soms ook met de nodige ironie een enkele keer met empathie. Zoals het hoort bij een romantisch revolutionair.