Column

Schuilen bij een film, vluchten in een museum

Cinemum. Ik wist niet dat het bestond. Maar nu wel. Nu zit ik om 11 uur ’s morgens in bioscoop The Movies in Amsterdam, met het licht niet uit maar gedempt en het geluid ietsjes zachter dan normaal. Schuin voor me hangt een baby over de schouder van zijn moeder. Die moeder kijkt naar de film, achter hem. De baby staart belangstellend naar mij. En ik staar regelmatig terug, baby’s winnen het eigenlijk altijd van alles. Zelfs van deze film, Marley, die toch betrekkelijk briljant is.

Eigenlijk mocht ik hier niet zijn, want ik heb geen baby bij me.

Ik wist dat niet. Ik kwam hier eenvoudig omdat ik me nergens zo goed kan verschuilen als in een film. Ik trof deze op de filmladder als de vroegste mogelijkheid. Bovendien is hij geschikt. Hij duurt tweeënhalf uur en hij gaat over Bob Marley. Die zong, alsof hij het zeker wist, op het tegendraadse ritme van de reggae: One good thing about music,when it hits you, you feel no pain…En dat komt goed uit, want mijn moeder is gestorven, drie dagen geleden.

Ik bestelde een kaartje. De caissière zei dat ik niet naar binnen mocht, bij gebrek aan een baby. Ik soebatte. Ik wees erop dat er zo te zien pas zes kaartjes verkocht waren, dat er dus plaats zat was en dat ik trouwens niemand tot last zou zijn. Ze haalde er iemand bij. Van hem mocht ik er ook niet in, want ze hielden zich strikt aan de regels van Cinemum, sinds ze een man met bedenkelijke bedoelingen hadden toegelaten. Ik gooide mijn jas open, zei: „Ben ik een man met bedenkelijke bedoelingen?” „Nee, dat slaat natuurlijk niet op u.”

Hij probeerde er een mouw aan te passen. „Waarom gaat u niet naar The Best Exotic Marigold Hotel? Die draait straks. Mooie film!”

Even dacht ik, goed, dan doen we dat. Toen besefte ik: slecht idee. Ja, het is een opwekkende film over ouderen, met drie briljante actrices, Judi Dench, Maggie Smith en Penelope Wilton. Maar nee. Dat betekent grappen over de laatste levensfase en ze lijken trouwens alledrie op een bepaalde manier op mijn moeder. Dus het kon niet. Dat wilde ik hem uitleggen. Helaas stroomden er tranen in mijn ogen en zei ik precies wat ik níet wilde zeggen: mijn moeder is dood en ik wil nú verdwijnen in een film. Déze film. Muziek. Een serieus verhaal. En ik ben tweeënhalf uur onder de pannen.

Hij keerde zich naar de caissière: „Okay, verkoop haar maar een kaartje.”

Daarom zit ik hier toch en zie, behalve een enerverend hoofdstuk uit de popmuziek, Bob Marley’s leven. Het passeert via oude beelden, via de verhalen van mannen met dreadlocks of met een petje, van vrouwen met stemmen als een gong, en van Bobs baby’s bij de vleet. En steeds is daar die troostende muziek met accenten op onverwachte plekken. Hit me with musíc, hit me with musíc-nów. En ja, het helpt. Film helpt. In de zaal klinkt soms een kreet of een prutteltje. Op het doek probeert Bob Marley een burgeroorlog te voorkomen met een concert in Kingston. Had Cinemum vierentwintig jaar geleden bestaan, dan hadden mijn baby en ik hier elke week gezeten.

Later die dag vlucht ik opnieuw, nu naar het Tropenmuseum. Op de expositie van de Dutch Doc Award-nominaties ontdek ik de foto’s van Sarah Carlier.

Carlier doet verslag van een bewogen periode uit het leven van een Roemeense familie: Four years, three deaths, sweaty armpits and a fetus. Mag Carlier alstublieft die Award winnen? Dit is het meest gulle project dat ik in jaren zag. Het is informatief en spiritueel, met portretten, landschappen, snapshots van incidenten, plus geënsceneerde taferelen. De video’s erbij zijn feitelijk en verbeeldingrijk. De moeder is het middelpunt, het hoogtepunt is de video waar we een familieportret zien ontstaan. Blijdschap, een bruidsjurk, een baby. Een oom die staat te bellen, tantes die elkaar afdekken. En die moeder, die haar best doet om leuk te kijken. Maar het lukt niet. Er is die foto van een rood autowrak. Maar ook van de moeder die met een blote voet tussen de overgordijnen naar het licht stapt. Er is een video met een wandelende rouwkrans. Maar ook met dansende kinderen in klederdracht.

Het leven sterft af en het leven duikt op en daar zit ’m de troost. Ik was het even vergeten. Maar nu weet ik het weer.