Mannen met Noordpoolkoorts

Alec Wilkinson: De ijsballon. Een dramatische ontdekkingsreis naar de Noordpool. Vert. Ruud van de Plassche. Ambo, 276 p. € 22,50.

Deze winter zat ik te lezen in Lichter dan lucht, los van de aarde, het dikke boek van Han Nabben over de geschiedenis van de ballonvaart. Ik bleef hangen bij een prachtige zwart-wit foto van een luchtballon op een ijsvlakte. Het leek wel een prent. Ik zag wat mistflarden, en de mand van de ballon, op zijn kant. Ik zag een groot doek dat als een guirlande om de touwen zat gedrapeerd. En ik zag de huizenhoge donkere ballon, nog niet leeggelopen, fier staand op het ijs. En twee mannen die er wat beduusd bij stonden.

Dit waren Salomon August Andrée en Knut Fraenkel, uit Zweden, die zojuist waren gestrand met hun waterstofballon, honderden kilometers verwijderd van de bewoonde wereld – en ook honderden kilometers verwijderd van de Noordpool. De foto werd genomen door Nils Strindberg. Drie dagen eerder, op 11 juli 1897, waren de drie mannen vanaf Spitsbergen opgestegen met de bedoeling om, gedragen door de krachtige wind, in een paar dagen naar de Noordpool te vliegen – de magische en mysterieuze plek waar op dat moment nog nooit iemand was geweest, ondanks allerlei pogingen daartoe.

Ook Andrée en zijn twee bemanningsleden zou het niet lukken. Toen de ballon strandde, probeerden de mannen over het ijs terug te keren naar de bewoonde wereld – maar ook dat zou niet lukken. Niemand hoorde meer iets van deze expeditie, totdat in 1930, door een onwaarschijnlijk toeval, de resten van hun laatste kamp werden gevonden. Een walvisvaarder legde aan op het witte ijseiland Kvitoja. Een paar mannen gingen op zoek naar water en vonden toen in the middle of nowhere een aluminium deksel. En nog veel meer. Drie door ijsberen verminkte lichamen. Dagboeken, waarmee de ballonvlucht gedetailleerd gereconstrueerd kon worden. En de camera van Nils Strindberg met negatieven die nog ontwikkeld bleken te kunnen worden – zodat de drie mannen drieëndertig jaar na hun dood alsnog op foto’s tot leven kwamen en via die foto’s alsnog verslag konden doen van hun heroïsche en dramatische tocht.

De ijsballon van Alec Wilkinson begint bij precies deze foto, die hij toevallig ooit onder ogen kreeg. Wie zijn die mensen, vroeg hij zich af, en hoe zijn ze daar gekomen, op die onwaarschijnlijke plek? Hij ging op zoek naar het antwoord. Dat heeft een enerverend boek opgeleverd (zoals ook een mooie aflevering in de bekroonde ontdekkingsreizen serie Helden van Redmond O’Hanlon), over de revolutionaire onderneming van een man met Noordpoolkoorts. Geen ondoordacht plan, maar een goed voorbereide, wetenschappelijke missie.

Wilkinson geeft daarnaast ook inzicht in de geest van de ontdekkingsreiziger. En daarbij krijgt een bijzondere tak van literatuur veel aandacht: het reisdagboek van de mislukte reis, geschreven door uitgeputte, al half bevroren poolreizigers, die onder ogen beginnen te zien dat hun dagen geteld zijn. In die dagboeken gaat het altijd over overleven, bij dertig of meer graden onder nul, gezeul met boten over ijsrotsen, maanden bivakkeren in duisternis, gevechten met ijsberen. En het gevecht met honger en waanzin. Overleven op een menu van gekookte zeehondenhuid en walvisblubber. Het is ook de wereld van de stilte en de eenzaamheid. Van de vele soorten ijs: jong ijs, havenijs, puinijs, klonterijs, snel ijs, pennenmesijs. Van de schoonheid van ijsbergen – massief, majestueus. En van de vele geluiden. ‘Het geluid van zee-ijs is [...] geen geruis en ook geen geklots, maar een soort traag, krakend, kreunend, krijsend geluid, waarin een doordringend zilverig gerinkel zich vermengt met de lage, dreunende ondertonen van een razende storm.’

In de aanloop naar de beschrijving van de tocht van Andrée geeft Wilkinson een samenvatting van eerdere poolexpedities van Greely, Nansen en Tyson. De oren vriezen van je hoofd als je het leest – en je bloed blijft regelmatig stilstaan. Het gaat dan niet alleen om de ontberingen, maar ook om de snijdende spanning tussen de expeditieleden. Diefstal van voedsel. Executie van de dief. Verdachtmakingen. In een dagboek noteert een ten onrechte beschuldigde: ‘Ook al ben ik stervende, ik ontken dat ik het gedaan heb. Ik heb alleen mijn eigen laarzen opgegeten en een oude broek die ik van luitenant Kislingbury had gekregen.’ En in zulke omstandigheden duiken dan ook al gauw de huiveringwekkende vermoedens van kannibalisme op. Op sommige later gevonden lijken waren sporen van ijsbeerbeten te zien, maar op andere zag men snijsporen van een scherp mes.

Dit soort verhalen was al wel min of meer bekend toen Andrée aan de voorbereidingen van zijn ballonvaart begon. Hij wist wat hem te wachten stond als het mis zou gaan. Hij nam sleeën, een tent, een boot en ski’s mee in zijn ballon. En duiven. En genoeg voedsel voor drie mannen voor twee jaar, waaronder ‘25 kilo platte chocoladekoek’. Zijn tocht werd een mediaspektakel – en ook een zaak van nationaal belang. Zou Zweden als eerste een man op de Noordpool zetten? Veertigduizend mensen zwaaiden hem uit.

En toen werd het stil. De ballon dreef weg naar het Noorden, en verdween uit zicht. Er werd nog een postduif gevonden, die op de eerste dag uit de ballon was losgelaten, en een afgeworpen boei – maar verder niets. De geruchten en speculaties waren haast nog interessanter dan de tocht zelf. Drieëndertig jaar bleef het stil – totdat de mannen in 1930 werden teruggevonden. Hun dagboeken, zakelijk van toon, verhalen van het gesleep met veel te zware sleeën, honger, kou, uitputting, verwondingen. We krijgen een recept voor bloedpannekoek, en een voor meeuw gebakken in zeehondenblubber.

Hun tocht is hopeloos. Terwijl zij naar het oosten lopen blijkt de ijsschots waarop ze zich bevinden naar het westen af te drijven. Van conflicten is geen sprake. De drie mannen hebben geprobeerd beschutting te zoeken op het Witte Eiland – en kwamen daar om.

Waarom kan ik zulke overlevingsverhalen zo moeilijk wegleggen, heb ik me onderweg geregeld afgevraagd. Het is de opwinding van het onbekende, het avontuur, het gevaar. Maar er is nog iets meer. Je kijkt hier ook naar het wezen van de mens. Wat blijft er van hem over als alle hulp en alle hoop uit zicht is geraakt? Wanneer breekt hij? Er zijn, zo blijkt, altijd onwaarschijnlijke reddingen mogelijk. Of, in het geval van Andrée en zijn mannen: onwaarschijnlijke vondsten. Na 33 jaar werden hun stoffelijke resten weer teruggevaren naar Stockholm, begeleid door 200 schepen en vijf vliegtuigen. Daar werden ze welkom geheten door de koning. En daar kregen ze, na zoveel kou, een staatscrematie. ‘De klokken luidden in alle kerken.’