Hollande wil herindustrialisering

De sleutelposten in de nieuwe Franse regering zijn verdeeld. Concrete plannen volgen snel. Twee accenten tekenen zich af: de zwaarste lasten voor de sterkste schouders, en extra aandacht voor industrie.

President Hollande (midvoor) omringd door een deel van zijn ministers. Naast hem premier Ayrault (links) en minister van Buitenlandse Zaken Fabius. Boven vlnr: Lamy (Grote Steden), Cazeneuve (Europese Zaken), Pinel (Ambacht, Toerisme en Handel) en Bertinotti (Gezinsbeleid). Midden vlnr: Filippetti (Cultuur en Communicatie), Sapin (Werkgelegenheid en Sociale Dialoog), Le Drian (Defensie) en Fioraso (Hoger onderwijs en Onderzoek). Foto Reuters

Alvast één beroepsgroep zal het aantreden van de nieuwe regering Hollande-Ayrault onmiddellijk voelen in de portemonnee: op de eerste ministerraad gistermiddag besliste de nieuwe Franse regering om de lonen van de president en de ministers met 30 procent te verlagen, en ook de budgetten voor het beheer van de ministeries worden met 10 procent afgeroomd.

Dat betekent niet dat de beroepspolitici voortaan ascetisch moeten leven. De Franse president verdient vanaf nu 14.836 euro bruto per maand (was: 21.194) en ministers verdienen nu 9.396 euro bruto per maand, tegenover 13.423 euro voor hun voorgangers.

Ter vergelijking: een Belgisch minister verdient 17.500 euro per maand, de socialistische premier verdient er zelfs 18.700 euro (na de daling van het Franse presidentiële loon nu het hoogste in Europa) en de Nederlandse minister-president 12.042 euro per maand.

Uiteraard is de loonsverlaging vooral symbolisch en zal die vrijwillige bijdrage de wankele Franse overheidsfinanciën (staatsschuld: 1.700 miljard euro) niet oplossen. Maar president François Hollande wil er vooral twee dingen mee illustreren: hij is snel in staat om een relatief makkelijke verkiezingsbelofte in te lossen, en de financiële inspanningen die de komende jaren van de Fransen zullen worden gevraagd, zullen toch voornamelijk door de betere verdieners moeten worden gedragen. Concrete plannen daarvoor worden overigens niet voor de parlementsverkiezingen (10 en 17 juni) verwacht.

Belangrijkste economische gezicht van de regering van Jean-Marc Ayrault in het buitenland wordt Pierre Moscovici. Hij bekleedt de post ‘economische zaken, financiën en buitenlandse handel’. Moscovici geldt als een traditionele sociaal-democraat en hij wordt aangeduid als strauss-kahnien’. Na de arrestatie van Dominique Strauss-Kahn in mei vorig jaar in New York op verdenking van verkrachting, twijfelde Moscovici zelf even over een kandidatuur bij de socialistische voorverkiezingen, vooraleer uiteindelijk campagnedirecteur van Hollande te worden.

Moscovici krijgt als belangrijkste taak om met de Duitsers te onderhandelen over het stabiliteitspact, en er een groeiparagraaf aan toe te voegen. Hij moet ook zorgen voor de beloofde scheiding tussen spaarbanken en investeringsbanken.

Moscovici krijgt op de economische flank van de regering het gezelschap van enkele ministers die links van hem staan, zoals Michel Sapin, een van de weinigen in de ploeg die al eens minister was. Sapin krijgt de moeilijke post ‘werkgelegenheid en sociale dialoog’, in een periode dat de werkloosheid dreigt de drempel van 10 procent te overstijgen.

Frankrijk telt nu een werkloosheidsgraad van 9,8 procent, bijna 3 miljoen Fransen zijn op zoek naar een baan, het hoogste percentage sinds 2000. Sapin moet zorgen voor het ‘generatiecontract’, waarbij een werkgever wordt vrijgesteld van het betalen van sociale bijdragen bij het aanwerven van een jonge werkloze, als daarbij geen oudere werknemer wordt ontslagen.

Sapin moet ook zorgen voor alweer een hervorming van de pensioenen, waarbij het opnieuw mogelijk moet worden om op 60 jaar op pensioen te gaan voor werknemers die begonnen met werken op hun 18de of tenminste 41 jaar sociale bijdragen hebben betaald. Sapin heeft voor juli een sociale top aangekondigd met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers.

Maar de opmerkelijkste ministerportefeuille is ongetwijfeld die van Arnaud Montebourg, die de naam redressement productif (herindustrialisering) heeft meegekregen. Montebourg behoort tot de uiterste linkervleugel van de Socialistische Partij en maakte indruk tijdens de voorverkiezingen met een pleidooi voor ‘demondialisering’. Hij werd na Hollande en Martine Aubry derde bij de voorverkiezingen met 17 procent van de stemmen. De ministerportefeuille is uiteraard bedoeld om de stroming die Montebourg binnen de PS vertegenwoordigt tevreden te stellen, maar is tegelijk ook een erg risicovolle, want erg ‘meetbare’ portefeuille.

Montebourg moet het aantal industriële banen in Frankrijk op zijn minst zien gelijk te houden en als het enigszins kan opkrikken. Een van zijn eerste taken wordt het oprichten van een publieke bank voor overheidsinvesteringen, die vooral het midden- en kleinbedrijf moet helpen bij investeringen.

Montebourg moet ook werk maken van een fiscale hervorming die bedrijven 3 miljard euro moet opleveren, maar die alleen mag worden gebruikt om te investeren in banen. Dat moet gepaard gaan met een nieuwe wet die bedrijven verplicht om eerst uitgebreid naar een overnemer te zoeken bij volledige of gedeeltelijke sluiting. Het is een ‘defensieve’ maatregel die al veel kritiek kreeg van werkgeversorganisaties, omdat die vrezen dat zo’n wet buitenlandse investeerders zal afschrikken om naar Frankrijk te komen.

Een van de eerste dossiers die Montebourg op zijn bureau krijgt is dat van de Franse autobouwer PSA Peugeot-Citroën. De groep wil in de noordelijke banlieue van Parijs de vestiging van Aulnay-sous-Bois sluiten, waardoor 3.500 banen worden bedreigd. Meteen een eerste concrete test voor Montebourg om industriële banen in Frankrijk te behouden.