Een zet in het machtsspel

Jos Joosten: Staande Receptie. Vantilt, 175 blz. € 14,95

In 2008 kwam de Nijmeegse professor Jos Joosten metMisbaar: hoe literatuur literatuur wordt, waarin hij een literatuuropvatting huldigde die ingaat tegen de gedachte dat literaire kwaliteit een eigenschap is van het boek zelf. ‘Er is namelijk niks in te brengen tegen de aanname dat kwaliteit wordt toegekend – wat iedereen in eerste aanleg al kan vaststellen die kritieken leest, literaire prijzen bijhoudt en enigszins op de hoogte is van uitgeefpolitiek – en niet inherent aan welk kunstwerk dan ook’. Die visie is gebaseerd op het werk van de Franse socioloog Pierre Bourdieu, die in Regels van de kunst betoogde dat literatuur haar status dankt aan een machtsspel in het literaire veld waarin schrijvers, uitgevers, redacties, jury’s, fondsbestuurders en recensenten een bepaalde rol spelen.

Deze achtergrond is noodzakelijk om te begrijpen waar Joostens nieuwste essaybundel, Staande receptie, over gaat. Voor wie, zoals Joosten, door de bril van Bourdieu naar de werkelijkheid kijkt, zijn het spannende tijden. De regels van het literaire veld zijn in hoog tempo aan het veranderen. De oplage van de kranten daalt, literaire tijdschriften worden het internet opgeschopt, de rol van de recensent is uitgespeeld, boekhandels verdwijnen, uitgeverijen staat het water aan de lippen.

Joosten schetst deze veranderingen op grond van empirische gegevens. De betrouwbaarheid van zijn berekeningen wordt inmiddels op internet in twijfel getrokken en inderdaad maakt de provenance een niet al te gedegen indruk. Ook relativeert Joosten de invloed van het tijdschrift Merlijn, dat propageerde dat het in de literatuur alleen maar gaat om de tekst en niets anders. Deze ‘werkimmanente benadering’ druist regelrecht in tegen die van Joosten. Toch noopt die hem wel om tegemoet te komen aan het voor de hand liggende bezwaar dat tekst zelf van literair belang is. Joosten blijft ontkennen dat een tekst intrinsieke waarde heeft, maar meent wel dat een tekst eigenschappen moet hebben die corresponderen met de waardepatronen waarmee mensen boeken beoordelen.

De korte bespreking van deze uit 1995 stammende theorie van twee Duitse literatuurwetenschappers behoort tot de interessantste van het boek, evenals de bespreking van de status van grote werken uit de geschiedenis van de literatuur. Die vormen een probleem voor Joosten, omdat hij niet het simpele antwoord kan geven dat die boeken van grote intrinsieke kwaliteit zijn. Joosten zoekt een oplossing in termen van ‘Zuordnungsvoraussetzungen’ waarvan hij alleen ‘de zeer voorlopige contouren’ kan geven. Jammer, want dit is de belangrijkste kwestie die Joosten in dit boek aansnijdt: heeft een boek intrinsieke literaire waarde of niet?

Joosten doet geen moeite de naïeve lezer te overtuigen die simpelweg meent dat een boek goed is, al zou het kunnen dat hij de polemische essays over Connie Palmen en Elsbeth Etty heeft opgenomen, omdat zij dit standpunt huldigen. Hij verwijt hen dat hun werk niet ‘wetenschappelijk’ is. Dat kan waar zijn, maar van een aanhanger van Bourdieu is het een vreemd bezwaar. Ook van het wetenschappelijk bedrijf heeft Bourdieu een sociologische analyse gemaakt met dezelfde uitkomst als die over het literaire veld. Wat wetenschap wordt genoemd, is de uitkomst van een machtsspel. Joosten staat daarom voor een dilemma: of zijn aanval op Palmen en Etty is terecht, maar dan moet hij Bourdieu laten vallen. Of hij houdt vast aan Bourdieu, maar dan is zijn aanval niet inhoudelijk, maar een zet in een machtsspel.

Gênant is dat Joosten Elsbeth Etty, recensente van deze krant en bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan de VU, impliciet van plagiaat beschuldigt. Het woord plagiaat dekt een heel scala aan verschillende handelingen. Onze meeste kennis hebben wij van horen zeggen; feiten kunnen we opzoeken in een encyclopedie. Toch verwachten we van een student dat hij niet een lemma overschrijft, maar in eigen woorden herhaalt en zijn bronnen vermeld.

Joosten baseert zijn beschuldiging op twee passages: een over Ter Braak waarin de woordkeus overeenkomt met alinea’s uit een internet-encyclopedie; en een over vrouwelijke recensenten, waarin drie zinnen staan die vrijwel letterlijk uit een studie zijn overgenomen zonder bronvermelding. In het eerste geval kun je tegenwerpen dat het algemeen bekend is. In het tweede geval heeft Joosten gelijk. Hij zocht en vond.

Desondanks is het vreemd dat dit hoofdstuk, dat leest als een onderzoeksrapport van een examencommissie na een fraudemelding, in een boek is opgenomen dat wetenschappelijk pretendeert te zijn. Worden die pretenties waargemaakt? Joostens literatuuronderzoek is zeer selectief. Vrijwel de gehele Engelstalige literatuur, zelfs die over Bourdieu, negeert hij. Het avontuurlijk uitzicht, een boek van Carel Peeters over hetzelfde onderwerp, wordt niet eens genoemd. De centrale stelling dat literatuur geen intrinsieke waarde heeft, wordt zonder argumentatie aangenomen. Op grond van dit boek valt moeilijk aan de indruk te ontkomen dat Bourdieu gelijk had: Joostens hoogleraarschap berust niet op wetenschappelijke inhoud, maar op waardetoekenning die de uitkomst is van een machtsspel.