Een woord als een hamer

Het leek simpel: historisme is de overtuiging dat het verleden geduid moet worden met de maatstaven van dat verleden. Maar in de loop der tijden is het begrip zo polemisch geworden dat het nu vooral onze angsten toont: wegzakken in het moeras van de geschiedenis, schrijft Arnold Heumakers.

oet muziek uit de 16de eeuw worden gespeeld zoals 16de-eeuwers het zouden hebben gedaan? Mag bij een oud gebouw zomaar een moderne vleugel worden aangebouwd, zoals bij het Amsterdamse Concertgebouw? Is het een literair historicus geoorloofd om duidelijk zijn oordeel uit te spreken over de auteurs die hij behandelt? Is met een historische kritiek op de bijbel of de koran ook het laatste woord gezegd over de waarheid van het christendom of de islam?

Ziedaar een paar praktische vragen, die stuk voor stuk tot de probleemsfeer van het ‘historisme’ horen. Historisme? Het is een begrip dat we buiten de historiografie lang niet meer gehoord hebben. Alleen theoretisch georiënteerde historici of historisch georiënteerde filosofen maken zich er druk om, lijkt het. Toch houden de bovengenoemde vragen ons nog altijd bezig. Dus kan het historisme niet echt verdwenen zijn. De vraag is wel wat we er precies onder moeten verstaan.

Ik heb altijd gedacht dat het antwoord niet zo moeilijk was. Historisme slaat op de visie op het verleden, verbonden met de grote 19de-eeuwse Duitse historicus Leopold von Ranke (‘Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott’), dat alle perioden hun eigen karakter en dus ook hun eigen waarden en waarheden hebben, die niet zonder meer met tijdloze, universele waarden en waarheden mogen worden beoordeeld. Het historisme was tegen een anachronistische aanpak van het verleden, maar wilde het verleden leren kennen zoals het werkelijk geweest was: ‘wie es eigentlich gewesen’, opnieuw in de woorden van Ranke.

Verwarrend was wel dat er ook nog zoiets als een ‘historicisme’ bestond. Vooral in het Engels sloeg de verwarring toe, want daar bleek historicism de vertaling te zijn van historisme. Dankzij de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper en zijn veel gelezen The poverty of historicism (1957) werd de verwarring nog vergroot, aangezien hij aan het begrip een heel eigen inhoud gaf. Historicisme slaat bij hem op het geloof in een noodzakelijke wetmatigheid in de geschiedenis en hoort bij door hem fel bestreden ‘totalitaire’ filosofen als Hegel en Marx. Lastig, maar zolang dit historicisme van Popper maar zorgvuldig werd onderscheiden van Rankes historisme viel het nog wel mee.

Nee dus, zo blijkt uit Het moeras van de geschiedenis. Nederlandse debatten over historisme van de Leidse historicus Herman Paul. Het historisme heeft zoveel uiteenlopende betekenissen, dat je er niet één als de enig juiste uit kunt halen. Het woord schijnt het eerst gebruikt te zijn door de romanticus Friedrich Schlegel in een paar losse notities uit 1797, maar pas eind 19de, begin 20ste eeuw wordt het gangbaar om er allerlei visies op de geschiedenis mee te benoemen. Het is bovendien een begrip dat anachronistisch wordt gebruikt; een ‘historist’ als Ranke heeft zichzelf zo nooit genoemd. Dus hoe preciezer het wordt geformuleerd, des te minder historici zich erin zullen herkennen.

Paul komt daarom niet met een exclusieve definitie; hij ziet het begrip allereerst als een woord, en bestudeert het gebruik ervan in Nederland. Vooral in de eerste helft van de 20ste eeuw werd er ijverig om gedebatteerd en mee gepolemiseerd. Want in die debatten ontpopt het historisme zich als een geducht wapen om tegenstanders in diskrediet te brengen.

Door het concrete gebruik te bestuderen komt Paul tot een reeks van betekenissen, maar daarin heerst geen totale willekeur. Wie historisme als Schlagwort hanteert om een tegenstander te treffen, is kennelijk ergens bang voor. Waarvoor? Voor wat Paul noemt het ‘moeras van de geschiedenis’, waarin alle waarden, normen en waarheden dreigen te verdwijnen.

Historisme heeft te maken met een historisering van de cultuur, die een zekere exclusiviteit voor zichzelf claimt. Alsof inderdaad het laatste woord over de waarheid van een godsdienst zou zijn gezegd, als je de historische omstandigheden kent waaronder die godsdienst is ontstaan. De geschiedenis op de rechtersstoel, in plaats van God, de natuur, de rede of de schoonheid.

Wat in de jaren twintig de ‘crisis van het historisme’ werd genoemd, had vooral dáármee te maken. Deze crisis was aangezwengeld in Duitsland door de historicus Ernst Troeltsch, die worstelde met de vraag hoe de absoluutheid van het christelijke geloof te verenigen viel met de historische, per definitie contingente oorsprong van het christendom. Tijdloos en tijdgebonden komen zo tegenover elkaar te staan, maar Paul waarschuwt ervoor deze tegenstelling niet te verabsoluteren. Het was niet zo dat christenen alle historische belangstelling voor hun religie afwezen, integendeel, het ging eerder om de juiste balans tussen geloof en historie – die stond in de debatten over het historisme op het spel.

Het hoeft daarom niet te verbazen dat in Pauls boek vooral theologen aan het woord komen, merendeels van protestants-christelijke huize. (Onder katholieken leefde het historisme veel minder, volgens Paul omdat zij in het neothomisme een effectieve reddingsboei bezaten om niet te verzinken in het historische ‘moeras’. De onzekerheid en het relativisme die daar dreigden, konden protestanten veel minder makkelijk van zich afslaan, al vonden zij in Karl Barths Römerbrief (1921) een krachtige moderne verdediging van de centrale plaats die geloof en Openbaring in het christendom dienden in te nemen.)

Veel van de Nederlandse debatten waren een echo van wat er in Duitsland plaatsvond. In de jaren twintig oriënteerden Nederlandse intellectuelen zich nog niet allereerst op Amerika en Engeland, maar op Duitsland (protestanten) en op Frankrijk (katholieken). Het gezelschap van de Nederlandse historisme-critici oogt dan ook als een ‘bestuursfoto van een antirevolutionaire kiesvereniging eind 1930’, schrijft Paul snedig. Niet meer zo heel erg interessant dus, zou je kunnen concluderen. Jonge lezers moet je nu eerst uitleggen wat dat ‘antirevolutionaire’ inhoudt, aangezien de Anti Revolutionaire Partij is opgegaan in het CDA, dat nu zelf ook niet meer zo stevig in de schoenen staat. Het lijkt een voorgoed voorbij verleden, maar voor de opzet van Pauls boek maakt dat niet uit.

Hem is het erom te doen de bandbreedte te tonen van het historisme-gebruik, en daarin slaagt hij uitstekend, mede doordat hij ook aandacht besteedt aan de manier waarop het woord in de politiek, in de kunsten en in de geschiedschrijving zelf een rol speelde. In die beide laatste gebieden constateert hij dat het historisme steeds meer zelf een historisch begrip is geworden, iets dat naar het verleden verwijst, naar een inmiddels achterhaalde manier van denken. Het werd steeds gebruikelijker om te spreken over het ‘historisme van de 19de eeuw’, en daarmee leek de angel er voorgoed uit verdwenen.

In een noot noemt Paul The German Historicist Tradition van de Amerikaanse ideeënhistoricus Frederick C. Beiser als voorbeeld van een studie die het historisme op zo’n manier benadert. Die noot moet op het laatste nippertje zijn toegevoegd, want Beisers boek verscheen in januari van dit jaar. Bij Beiser, die zichzelf heeft bewezen met grondige en toch leesbare studies over het Duitse idealisme en de Duitse romantiek, komen we het historisme inderdaad niet tegen als een polemisch begrip. Maar ook Beiser is zich terdege bewust van de problematische status van de betekenis van het historisme. Hij heeft er een drastische oplossing voor gevonden, die het tegenovergestelde behelst van wat Paul heeft gedaan. Paul beperkt zich tot een beschrijving van de manier waarop anderen het begrip betekenis hebben gegeven, Beiser op zijn beurt komt niet met een descriptieve maar met een prescriptieve definitie: hij bepaalt wat het begrip zou moeten betekenen om zinvol gebruikt te kunnen worden.

Volgens Beiser heeft historisme alles te maken met de ‘fundamentele historisering van ons denken over de mens, zijn cultuur en zijn waarden’, waarbij historisering inhoudt dat onze menselijke wereld het product is van de geschiedenis. Die wereld is dus per definitie veranderlijk en contingent. Maar als we zien wat Beisers criterium is om iemand al dan niet een historist te noemen, dan blijkt dat hij er vooral onder verstaat: het streven om de wetenschappelijkheid van de geschiedenis wijsgerig te legitimeren. Het betreft dus een filosofische, eerder dan een historische stroming, met als gevolg dat hij naast filosofisch georiënteerde historici (onder wie Möser, Ranke, Droysen, Weber) ook historisch georiënteerde filosofen (onder wie Herder, Dilthey, Windelband, Rickert) heeft opgenomen.

Beiser concurreert met de Duitse historicus Friedrich Meinecke, die in 1936 zijn invloedrijke Die Entstehung des Historismus publiceerde. Volgens Meinecke was het historisme ‘een van de grootste intellectuele revoluties in het westerse denken’. Beiser is dat met hem eens: het historisme betekent een breuk met een traditionele ahistorische manier van denken, die uitging van absolute, eeuwige waarden en waarheden. Daar dient Pauls ‘moeras van de geschiedenis’ zich aan! Bij Beiser lost het historisme echter niet op in hopeloos relativisme, maar in een filosofisch verantwoorde professionalisering van de geschiedwetenschap. En dat het na de ‘crisis van het historisme’ in de jaren twintig langzaam maar zeker van de agenda verdwijnt, komt volgens hem simpelweg doordat de filosofische rechtvaardiging van de geschiedwetenschap inmiddels door iedereen werd aanvaard. Het historisme had zich met zijn eigen succes overbodig gemaakt.

Vandaar dat Beiser kan zeggen dat wij tegenwoordig allemaal historisten zijn. Probleem opgelost. Wat niet wegneemt dat het nog altijd de moeite waard is om je in de geschiedenis van het historisme te verdiepen, bijvoorbeeld door de diepgaande portretten te lezen, waarin Beiser de gedachtegang van de belangrijkste historisten voorbeeldig reconstrueert.

Maar hoe zit het dan met de vragen waarmee ik dit stuk begon? Door Beiser worden ze niet beantwoord. Ook niet door Paul. Aan het slot van zijn boek gaat hij wél even in op wat je zou kunnen noemen: de actualiteit van de controverses rond het historisme. Het zal duidelijk zijn dat de religieuze angsten en bezwaren tegenwoordig minder zwaar wegen, simpelweg omdat de religie minder intellectueel aanzien geniet.

Maar hoe zit het met geseculariseerde universalia als bijvoorbeeld de mensenrechten? En kijk eens naar de kunsten: kan de verplichte trouw aan het verleden daar niet funest uitpakken voor de creativiteit? Waarom zou een zestiende-eeuws muziekstuk niet op een moderne manier mogen worden geïnterpreteerd? Is de oorspronkelijke vorm van een gebouw altijd heilig? Wat stelt een literatuurhistoricus eigenlijk voor, als hij net doet of alle gedichten en romans die hij behandelt even goed zijn?

In het verleden heeft Nietzsche zich (in de tweede van zijn Unzeitgemäße Betrachtungen) al fel gekeerd tegen een dergelijke ‘antiquarische’ benadering van het verleden, dodelijk voor elke vorm van ‘leven’. Paul haalt de Groningse historicus Ernst Kossmann aan, die ooit sprak over de ‘hoogmoed’ van het historisme, omdat het een verabsolutering van de geschiedenis met zich meebracht, ten koste van bijvoorbeeld religie of esthetica. Paul sluit zich bij Kossmann aan: verabsolutering is nooit goed, andere benaderingen kunnen ook geldig zijn.

Maar aan het historisme als zodanig doet dit geen afbreuk. Het anti-absolutisme van Kossmann en Paul komt juist tegemoet aan de relativistische, sceptische tendens die in bijna alle historisme-opvattingen is terug te vinden. En over de wenselijke balans tussen heden en verleden, tussen tijdloos en tijdgebonden en tussen universeel en relatief geeft het geen uitsluitsel. Het historisme mag dan geen theologisch schrikbeeld meer zijn, het is nog altijd een levensgrote vraag die onze aandacht verdient.

Herman Paul: Het moeras van de geschiedenis. Nederlandse debatten over historisme. Bert Bakker, 334 blz. € 29,95.

Frederick C. Beiser: The German Historicist Tradition. Oxford University Press, 600 blz. € 81,-