Eén foto vertelt alles wat er is

Bikkelhard, maar nooit meedogenloos. Dat is het werk van de Nederlandse fotograaf Peter Martens. Hij fotografeerde in de jaren zeventig en tachtig de zelfkant, onder meer in New York. Nu zijn er twee boeken over zijn werk verschenen.

Mijn vaders dood, Rotterdam (1984)

Peter Martens zou digitale fotografie vermoedelijk vervloekt hebben. Razendsnel zo veel beelden kunnen maken als je wilt – het is verleidelijk te denken dat er dan altijd wel iets bruikbaars bij zit. En met de eindeloze mogelijkheden om foto’s achteraf te bewerken, kun je ook van half gelukte foto’s nog iets maken. Digitale fotografie als uitnodiging tot slordig kijken.

Maar het idee dat je met een digitale camera ook heel precies één foto kunt maken, die je onmiddellijk kunt zien, bewaren of weggooien, zou hem bevallen zijn. Eén foto moest genoeg zijn, vond Martens (1937-1992).

In het fotoboek Few Loving Voices, een dwarsdoorsnede van zijnzwartwit-oeuvre met portretten en straatreportages uit de hele wereld, dat twintig jaar na zijn dood verschijnt, zijn de aantekeningen afgedrukt voor een praatje dat hij eens hield. . „Ik denk dat de rol van het fotoverhaal is overgenomen door televisie en filmdocumentaires” schrijft hij. Daarom is de fotografie gedwongen terug te keren naar zijn roots. Dat is: één foto die het hele verhaal vertelt. Wat mij betreft is dat alles waar fotografie om draait.”

Martens leefde streng naar dat idee. Na zijn dood ordende Nicole Robbers in opdracht van het Fotoarchief Rotterdam – nu het Nederlands Fotomuseum – zijn archief. „Veel fotografen hebben duizenden zo niet honderdduizenden negatieven, maar Peter Martens bewaarde alleen de door hem goedgekeurde negatieven”, herinnert ze zich. „Die knipte hij uit – een gruwel voor veel fotografen – en borg hij op in mappen. De afgekeurde restanten lagen in plastic tasjes overal in het atelier op de grond.”

Op Martens’ zeef is een compact maar intens oeuvre blijven liggen. Het kan zich meten met het beste van landgenoten als Koen Wessing en Ed van der Elsken, en met buitenlandse groten als Weegee en Diane Arbus. Met hen deelde hij een fascinatie voor de zelfkant van de maatschappij, of het nu in Rotterdam was, Calcutta, Belfast of New York.

Door Martens’ New York van de jaren ’70 en ’80 trekt een stoet zwervers, lavelozen in portieken en openbare wc’s, bedelaars met aids en nachtvlinders, maar met zijn oog voor detail en bijna feilloze timing worden het geen ‘typetjes’. Soms wil je wegkijken bij zijn beelden in het kielzog van ambulance en afdeling-moordzaken. Hij was zo gedreven dat bij een politiebureau aan de Lower East Side een briefje hing met ‘In case of a homicide, call Peter Martens’. Dat New York is er niet meer, althans niet zo. Maar in het boek American Testimony, dat binnenkort eveneens verschijnt (al had Martens het voor zijn dood al afgerond), ligt het nog open en bloot.

Lang voordat collega-fotografen hun eigen leven gingen documenteren, fotografeerde Martens zijn vader, dood onderaan de trap waar hij afgevallen was. Ook om zulke beelden is Martens wel eens bikkelhard genoemd. Het is waar dat die beelden van de Indiase melaatsen, geamputeerden, prostituées, Noord-Ierse radicalen en Rotterdamse kroegbezoekers weinig aanzet tot een lach of zelfs maar een glimlach geven. Of het moet die fantastische druppel aan de neus van Simon Vinkenoog zijn. Maar meedogenloos is het laatste waar je aan denkt.

Het waren inderdaad geen leuke verhalen die hij wilde vertellen. Maar ze moesten wel verteld worden. „Dat zou wel eens de manier kunnen blijken om het begrip tussen mensen te verbeteren”, zei Martens. „Heel vaak is een kleine fotocamera in de capabele handen van een betrokken fotograaf beter geschikt om gebeurtenissen vast te leggen dan microfoons en tv-camera’s.” Klein, capabel en betrokken zijn de sleutelwoorden.

Peter Martens, Few Loving Voices en American Testimony; Uitg. Post Editions, Stichting Peter Martens en het Nederlands Fotomuseum, Rotterdam. In Rotterdam en Amsterdam is Martens’ werk nu te zien. Info: www.post-editions.com.