De obsessie met de politieke eenwording

Afgelopen woensdag maakte de Duitse minister van Financiën, Wolfgang Schäuble (CDU), bekend wat in zijn ogen het antwoord moet zijn op de eurocrisis: politieke integratie. Hij zei: „Ik ben er voorstander van dat de Europese Commissie zich verder ontwikkelt tot een staat. Ik ben voor de verkiezing van een Europese president.” Al eerder kondigde bondskanselier Merkel aan dat de eurocrisis uiteindelijk „niets anders betekent dan dat de [Europese] politieke eenwording vorm begint te krijgen”.

De strategie is al in de jaren vijftig uitgedacht. Begin met een gemeenschappelijke markt. Overtuig mensen van het gemak van een gezamenlijk betaalmiddel. In de crises, die onvermijdelijk zullen volgen, druk je ten slotte de politieke eenwording door.

Iedereen die zegt dat de Griekse situatie ‘onverwacht’ was, is onwetend of liegt. Neem de terugblik van Romano Prodi in een recent interview voor Euronews. Prodi was voorzitter van de Europese Commissie in de periode dat de euro werd ingevoerd. Hij zegt nu: „De moeilijke momenten waren voorspelbaar. Toen we de euro creëerden, was mijn bezwaar als econoom (en ik besprak dit met Kohl en met alle andere staatshoofden): hoe kunnen we een gemeenschappelijke munt hebben zonder gedeelde financiële, economische en politieke pijlers? Het verstandige antwoord was: voor nu hebben we deze sprong voorwaarts gemaakt. De rest zal volgen.” Concluderend stelde hij: „Het was dus duidelijk dat deze crisis zou komen.”

Gestaag zwelt intussen het koor aan van economen die de voordelen van de eenwording betwisten. In een interview met The New York Times vertelde Paul de Grauwe afgelopen woensdag hoe deze kritische geluiden jarenlang systematisch buiten de deur werden gehouden. De Grauwe is hoogleraar politieke economie aan de London School of Economics. „De Europese Commissie nodigde economen uit om hun visie te geven. Het was een darwinistisch proces (…) Ik werd uitgenodigd, maar toen ik mijn twijfel uitsprak, werd ik niet meer uitgenodigd. Uiteindelijk waren alleen de enthousiastelingen nog over.”

Een gemeenschappelijke munt dwingt de deelnemende landen tot het voeren van eenzelfde rentevoet. Terwijl ieder land een eigen economie heeft, met een eigen conjunctuur. Zo had Nederland de afgelopen jaren een tamelijk milde groei en daarom was er belang bij een lagere rentevoet. Spanje daarentegen had een economische boom en daarom was een hogere rente verstandiger geweest. One size fits none.

De euro heeft er ook voor gezorgd dat landen als Griekenland tegen kunstmatig lage rentes konden lenen. De kapitaalmarkt ging ervan uit dat Noord-Europese landen toch wel zouden bijspringen als terugbetaling moeilijk werd. Hadden Griekenland, Spanje, Portugal, Ierland en Italië nog hun eigen munt gehad, dan was de schuldenlast nooit zo hoog opgelopen, omdat de rente op de kapitaalmarkt dan voor een correctie had gezorgd.

Bovendien zouden deze landen met een eigen munt hun economie makkelijker kunnen stimuleren. Door devaluatie zou de nationale schuldenlast draagbaarder worden en zouden investeringen, export en toerisme kunnen toenemen. Zuid-Europese landen hebben in het verleden hun begrotingstekorten vaak op deze manier weer in balans gebracht. Alleen wie verwacht dat de cultuur van deze landen dramatisch zal veranderen – dat Europeanen allemaal Duitsers zullen worden – kan de euro op dit punt steunen.

Daar komt bij dat een van de belangrijkste problemen waarvoor de euro een ‘oplossing’ zou moeten zijn al door technologische vooruitgang is opgelost. Grensoverschrijdende handel, goederenverkeer en mobiliteit zijn door de pinpas onvergelijkbaar veel gemakkelijker geworden. Bij grenswisselkantoren hoeft niemand meer in de rij te staan: geld trek je gewoon uit de muur of je betaalt met creditcard of via internet. Met enkele Europese afspraken over beperking van transactiekosten waren veel van de doelen van de euro eveneens gerealiseerd.

Of Griekenland nu uit de euro stapt of toch weer een reddingspakket ontvangt: het is niets meer dan een doekje voor het bloeden. De situatie in Portugal, Ierland en Spanje is bijna net zo ernstig. Werkloosheidspercentages boven de 20, met een sterke economische krimp.

Het probleem is de euro zelf. Bill Blain, een gezaghebbend commentator op de financiële markten, betoogde gisterochtend dan ook dat alle lidstaten tegelijk uit de euro zouden moeten stappen. Natuurlijk zorgt dit voor ernstige onrust. Maar die is van korte duur. „Competitie, nieuwe balans en groei zullen worden aangewakkerd […] de jongeren krijgen hun toekomst terug”, schrijft Blain in zijn dagelijkse ochtendcommentaar.

De obsessie met Europese politieke eenwording heeft ons aan de rand van een politieke en economische afgrond gebracht. Voorwaarts gaan, zoals Merkel en Schäuble nog altijd bepleiten, betekent een uitzichtloze crisis, draconische bezuinigingsmaatregelen en dreigende politieke radicalisering. Een terugkeer naar de nationale munt is de enige echte optie.