D66 in de Gouden Eeuw

In een historische roman over ‘een 17de-eeuwse Jim Morrison’ wil Nelleke Noordervliet in gesprek raken met Spinoza, in dienst treden van Johan de Witt en meevaren naar de Nieuwe Wereld.

Tekening Paul van der Steen

Nelleke Noordervliet: Vrij man. Augustus, 464 blz. € 19,95

Nelleke Noordervliet dompelt zich in haar nieuwe roman Vrij man met overgave onder in de Gouden Eeuw, het favoriete onderwerp van de Nederlandse historische roman. Al sinds Jacob van Lennep worden schrijvers naar de tijd van raadpensionaris Johan de Witt getrokken als bijen naar de honing – of als motten naar de kaarsvlam.

Aanvankelijk stond daarbij in de 19de eeuw een nationaal motief op de voorgrond. De mannen van De Gids, Potgieter en Bakhuizen van den Brink, eisten ‘waarlijk Nederlandse’ romans, schrijvers moesten ‘tot de Vaderlandsliefde van den Lezer’ spreken door de onderwerpen te kiezen uit de ‘Hollandse glorietijd’. Stof te over voor spannende verhalen. De republiek was een grote mogendheid, ‘onze’ vlootvoogden Tromp en De Ruyter leerden de Engelsen mores, de handel en het culturele leven bloeiden, de Oranjepartij en de regenten stonden elkaar naar het leven, spionage-affaires zoals die rond de onthoofde ritmeester Buat joegen de gemoederen op. Deze historische gegevens vormen ook het decor in Vrij Man, maar bij Nelleke Noordervliet speelt ‘Hollands glorie potverdorie’ geen rol. In haar verhaal staat het thema centraal dat op de voorgrond is geplaatst door het werk van historicus Jonathan Israel over de radicale verlichting: de ideeën van denkers als Spinoza, de gebroeders Koerbagh, Van den Enden, die hun invloed tot op de huidige dag doen gelden.

Noordervliet arrangeert bij een bezoek aan de VS een ontmoeting met een 17de-eeuwse Rotterdamse dokterszoon Menno Molenaar, die na een uiterst woelige loopbaan in het Holland van Johan de Witt naar de Nieuwe Wereld is gevlucht. De roman is zijn levensverhaal. Menno is een twijfelaar en een boosdoener, een voormalige aborteur en lijkensnijder, geobsedeerd door de dood en door het vuil van de zelfkant. Hij is ook een zoeker naar waarheid, een rationalist, die in de Nieuwe Wereld een nieuw type samenleving zonder rangen en standen wil opbouwen. Hij worstelt met de ideeën die juist toen geboren werden over God en de natuur, de moraal, de strijd om geestelijke vrijheid. En hij ervaart welke risico’s op vervolging de vrije geesten liepen.

Van meet af aan is duidelijk dat Menno niemand anders is dan de schrijfster zelf, die haar verbeeldingskracht aanwendt om in gesprek te raken met Spinoza, in dienst te treden van De Witt, mee te varen op de vloot, een relatie aan te gaan met een Britse spion annex lakenhandelaar en diens vrouw, het stedelijk leven in de Gouden Eeuw te projecteren op het eigentijdse Rotterdam en Leiden. Expliciet: ‘Ik zou hem moeten worden; dat is wat schrijvers doen.’ Zij legt uit dat Menno ‘uiteraard’ zelfprojectie is. ‘Alle personages zijn altijd de schrijver. Dat zegt niets.’

Ongrijpbaar

Het boek staat vol met zulke meta-observaties die nogal defensief aandoen, alsof Noordervliet zich wil indekken tegen kritiek op de ongeloofwaardigheid van haar hoofdpersoon (‘Menno is een onbetrouwbare verteller, ik ben een onbetrouwbare luisteraar.’) Hoeveel details over zijn leven en denken zich ook opstapelen, de hoofdpersoon blijft ongrijpbaar, als de geestverschijning die hij nu eenmaal is.

Behalve Menno en de hedendaagse ik-figuur komen alle andere personages ook aan het woord. Om beurten vertellen zij een deel van het verhaal. Het probleem van deze vorm is dat de personages nogal statisch blijven. Alle monologen waaruit de roman is opgebouwd worden met dezelfde stem en op dezelfde toonhoogte uitgesproken. Het blijven de poppen van een buikspreker die soms zelf het woord neemt.

Noordervliet stelt zich ten doel het vastgeroeste beeld van de idylle van de Gouden Eeuw en de daarbij behorende historische clichés te doorbreken. ‘Laag over laag fixeert het vernis de voorstelling. Ik wil de lagen eraf krabben, ik wil terug naar de scherpe contouren en heldere kleuren.’ Daar slaagt zij uitmuntend in als zij beeldend het dagelijks leven in de Gouden Eeuw oproept – levendig gepenseeld als op een oud-Hollands schilderij.

Minder overtuigend is het wanneer zij haar verbeeldingskracht aanspreekt om de handelingen en gedachten van de personages te verklaren en de historische realiteit te interpreteren. Dan wil het verhaal nogal eens schools worden, en de stijl wat houterig (‘Tal van facties en belangengroepen kibbelen dat het een aard heeft.’) Te vaak zondigt Noordervliet tegen haar eigen regel ‘show, don’t tell’.

Menno Molenaar is een hybride personage omdat hij verleden en heden in zich draagt. Dit maakt van deze roman één groot spel met het anachronisme. Heel bewust breekt Noordervliet met de wetten van de historische roman die voorschrijven dat de fantasie niet in strijd mag komen met de historische feiten en de geloofwaardigheid van de personages.

Ook hier levert zij expliciet – mogelijk té expliciet – commentaar op haar eigen werkwijze. ‘Mijn droom verbond de werkelijkheid, het verleden en de verbeelding met elkaar’, schrijft de ik-verteller. ‘Omdat Menno het hybride product is van heden en verleden, mag hem een beperkt anachronisme worden toegestaan.’ Zij vraagt zich af of Menno’s handelen voortkomt uit een bewust experiment dan wel pure balorigheid is. ‘Ik ben geen psycholoog en moet dat niet willen zijn. Menno Molenaar is niet in therapie. Zijn tijd staat hem die weelde niet toe.’ En ook: ‘Leefde hij nu, ik zou hem naar de psychiater sturen.’

Kluisters

Het is duidelijk dat de schrijfster grote compassie voelt met haar Menno die bezig is zich te ontworstelen aan de kluisters van het verleden. Zij beklaagt hem ook: ‘Niemand is geïnteresseerd in de gebroken spiegel, of maalt om de ambivalentie en de breekbaarheid van de personages die uit de mist naar voren treden.’

Dit spel met het anachronisme tilt Vrij man uit boven de conventionele historische roman, maar is er ook de zwakte van. Noordervliet wil in begrijpelijke, hedendaagse taal de denkbeelden van de radicale verlichting die toen in Holland geboren werden uitleggen. Dat is ambitieus en de moeite waard. Maar mag je Spinoza’s leermeester Franciscus van den Enden de definitie van democratie als georganiseerd wantrouwen in de mond leggen? Hebben de vrijdenkers echt gezegd: ‘Het recht op een eenvoudig maar waardig leven moest gegarandeerd worden door de neutrale overheid’? Kan Adriaan Koerbagh, de radicale criticus van religie die een belangrijke rol speelt in dit boek, iets gezegd hebben als ‘zo werkt onze rechtsstaat’, hoewel er nog geen rechtsstaat te bekennen was?

De vrijdenkers rond Spinoza lijken soms te veel op D66‘ers. Mij ergert het als een personage uit de 17de eeuw zich ‘een stofje op de rok van het universum’ voelt, vooruitlopend op Lucebert. Rechtzinnige dominees beschrijven met uit hun tijd gerukte kwalificaties als ‘dorknopers en droogstoppels’ is ook niet sterk. En het voegt niets aan haar verhaal toe als Noordervliet over haar hoofdpersoon opmerkt: ‘Hij was Menno, maar ook Jim Morrison, gevangen in een heroïsche, poëtische gang naar zelfdestructie.’ Of is dit ‘de catch 22 in het historische verhaal’ waarvan de ik-verteller zegt zich bewust te zijn? Deze vragen doen niets af aan de verbeeldingskracht en eruditie waarmee Vrij man is geschreven. En het verhaal is ondanks de uitweidingen nog spannend ook. Je wilt als lezer weten hoe het afloopt met Menno – en je steekt er wat van op. Net wat je van een goede conventionele historische roman verlangt.