Blockbusters zijn geen optie

Het Van Abbemuseum in Eindhoven wil op een nieuwe manier geld verdienen. Bijvoorbeeld door de collectie te verhuren.

Charles Esche kent zichzelf. „Ben ik niet te abstract geweest?”, vraagt de Britse directeur van het Van Abbemuseum aan het eind van het gesprek. „Al onze discussies hier delen wij op in kleuren. De grote visies zitten in het gele vlak, en ik heb sterk de neiging om in het geel te blijven. Ulrike is van het oranje vlak, zij is meer van het vertalen en vaart maken.”

Ulrike Erbslöh is op verzoek van Esche bij het gesprek aangeschoven. De Duitse is zakelijk directeur van het Van Abbe. Vorige week presenteerde het Eindhovense museum zijn beleidsnotitie voor de komende jaren.

En ja, Esche is oranje geweest. Hij belandt alleen in het geel als het gaat om de radicale herbezinning waar musea volgens hem niet aan ontkomen. „Omdat we in de wereld overgaan naar een ander systeem van waarden. Ik denk dat iedereen dat voelt in zijn onderbuik. De tijd van het neoliberalisme is voorbij, nadat de sociaal-democratie na de val van de Muur geleidelijk is verdwenen. Maar er is nog niets voor in de plaats gekomen. Zie hoe Occupy niet tot een verhaal kon komen.”

Volgens Esche heeft dat gevolgen voor de kunst. „In een groot deel van de wereld is de kunst de afgelopen twee decennia in de greep van het neoliberalisme geraakt. Met de enorme stijgingen in de prijzen voor hedendaagse kunst, met kunstkopen als beleggingsstrategie en met de grote opkomst van galeries. In West-Europa en zeker in Nederland is kunst door het systeem van staatssubsidies in de tijd van de sociaal-democratie blijven hangen. Wij moeten hier een nog grotere sprong maken naar iets dat nieuw en onbekend is”, aldus Esche.

Het gesprek gaat over cultureel ondernemerschap. Of, hoe overleeft een museum van hedendaagse kunst de bezuinigingen? Vorige maand constateerde een commissie van wijzen, die door de gemeenteraad was aangesteld, dat het Van Abbe zijn kernwaarden radicaliteit en gastvrijheid duidelijker moet uitleggen, dat het te veel met zijn rug naar Eindhoven staat, meer betalende bezoekers kan trekken en kan bezuinigen op personeelskosten.

Opvallende conclusie: het museum moest vooral niet op blockbusters gaan gokken, het model waar het Groninger Museum lang afgunst mee oogstte. Maar eind vorig jaar raakte dat museum in financiële nood en kon de directeur vertrekken. „De timing van Groningen kwam ons goed uit”, zegt Esche. „Wij hebben hier altijd tegen elkaar gezegd dat het Groningse verhaal niet houdbaar kon zijn. Met blockbusters verdien je veel geld, maar ze kosten vaak nog meer aan de marketing die je ervoor moet doen.”

Erbslöh vult hem aan: „Wij moeten ons niet in die dwangbuis laten stoppen van meer tickets verkopen en meer inkomsten uit museumwinkel en horeca halen. Daarmee denk je te traditioneel.” Ook rekenen op meer sponsoring is niet de oplossing. Esche: „Er lijkt een verwachting te bestaan dat het bedrijfsleven alle instellingen zal redden. Dat is heel optimistisch. De komende 18 maanden zullen instellingen sluiten.”

Het Van Abbe, dat al 2 ton per jaar bezuinigd heeft, vraagt in zijn beleidsnotitie 2013-2017 om ruimte om andere ‘verdienmodellen’ te ontwikkelen. Het museum denkt zo over vijf jaar in totaal 6 ton per jaar minder nodig te hebben van de gemeente. Bezuinigen hoeft niet door te snijden in het personeelsbestand, maar kan ook door intensief samen te werken met buitenlandse musea. Er kan geld verdiend worden door stukken uit de collectie te verhuren en door een ‘guest van Van Abbe’ in het oude gebouw een tentoonstelling te laten organiseren. Of door kennis van het museum in te zetten voor adviesopdrachten.

Esche: „Op dit moment maakt een curator van ons in Ierland een tentoonstelling. Wij lenen eigenlijk een curator uit. Wij hebben dat tot nu toe niet op een harde zakelijke manier gedaan. Nu willen wij die opbrengsten ontvangen. Wij zien onszelf als kennisinstelling. Ik heb gisteren een tekst afgemaakt, die 2.000 euro oplevert. Dat is niet veel, maar als je het 20 keer doet dan is 40.000 euro toch niet niks.”

Hoe gevoelig ligt jullie idee om een deel van de collectie te gaan verhuren?

Esche: „Het gaat over 400 werken die niet vaak in het museum zijn vertoond. Het gaat ons erom dat wij daarmee relaties kunnen opbouwen met bedrijven of andere instellingen in de regio. We hebben nu een convenant getekend met het Máxima Medisch Centrum. Daar komt een nieuw kunstwerk dat wij hebben laten maken door van de Israëlische kunstenares Aya Ben Ron. Dat zorgt voor opbrengsten. In het traditionele model ga je naar het bedrijfsleven en vraag je om sponsoring van activiteiten en kijken zij of dat marketingmogelijkheden oplevert. En daar houdt het op. Dat is een te beperkt model.”

Erbslöh: „Wij zijn geen Kunstuitleen. Onze collectie verdwijnt niet naar privéhuishoudens, het is ook niet zo dat onze Picasso ineens niet meer te zien is. Wij en ook andere musea hebben veel van onze collectie opgeslagen. Onze doelstelling is om met bedrijven of instellingen te werken die ze aan het publiek kunnen tonen. We hebben een installatie van Maria Eichhorn, Aktiengeselschaft, die kritiek geeft op het kapitalisme. Als je die met een grote bank kan realiseren in hun gebouw, dan is dat spraakmakend.”

En als in het kader van ‘guest at Van Abbe’ een bank zijn eigen collectie wil laten zien in jullie gebouw?

Esche: „Dat is in dit verband het slechtste voorbeeld. Kunst van iemand anders hier in het gebouw tentoonstellen, is een heel conventionele oplossing. Dat is precies wat we niet willen.”

Jullie staan met de rug naar de stad?

Esche: „Dat vind ik een zwaar verwijt. Maar als je het advies goed leest, dan staat er dat wij en andere instellingen met de ruggen tegen elkaar staan. Wij werken wel degelijk samen met bepaalde bepaalde Eindhovense instellingen en kunstenaars. Door de tentoonstelling van René Daniëls ook in het Reina Sofia in Madrid te organiseren, zien bijna 100.000 mensen daar zijn werk. Dat geeft ook meer bekendheid aan Eindhoven. Maar wij communiceren er blijkbaar niet goed genoeg over. Dan word ik echt allochtoon, op zo’n moment begrijp ik niet waar wij tekortschieten.”

Erbslöh: „De gemeente heeft haar eigen speerpunten met Design, Innovatie en Technologie. De commissie van wijzen zegt eigenlijk dat wij culturele aansluiting daarbij missen. We kijken nu hoe we strategische thema’s samen met andere instellingen kunnen afspreken, het moet niet gaan om af en toe een projectje samen.”

Willen die bedrijven en instellingen dat wel?

Esche: „We werken bijvoorbeeld met Philips Research. Daar hebben we in 2009 een Connection Day mee georganiseerd, waarbij ze in het museum aan de hand van kunstwerken met kunstenaars over duurzaamheid hebben gediscussieerd. Zij zijn goede gesprekspartners geworden. Dat moet je samen kunnen uitbouwen tot tentoonstellingen.”

Samenwerking met buitenlandse musea willen jullie veel verder laten gaan dan samen tentoonstellingen organiseren. Waarom?

Esche: „De internationale samenwerking tussen de middelgrote instellingen – zeg maar het mkb van de musea – wordt gezien als tegenwicht voor de veel grotere instellingen als Guggenheim, Tate of Centre Pompidou die bezig zijn om te groeien door overal buitenposten te plaatsen. Wij hebben netwerken opgebouwd. Bijvoorbeeld met Reina Sofia in Madrid, maar ook met kleinere musea in Slowakije en Polen. En het groeit nu redelijk snel, ook buiten Europa. We zijn ook bezig in China, in Chicago. Je hebt het niet alleen over samen tentoonstellingen organiseren, maar ook over onderzoek, marketing, opslag en digitalisering van de collectie. Samen kun je dat efficiënter. Iedereen moet bezuinigen, niet alleen wij.”

Erbslöh: „Daarbij zullen we met bepaalde instellingen nauwer samenwerken dan met andere. Met SALT in Istanbul en het Antwerpse Museum van Hedendaagse Kunst willen we heel ver gaan. Met SALT meer in het ontwikkelen van presentievormen, met Antwerpen bijvoorbeeld meer in opslag en uitwisselen van archieven van kunstenaars. Dat samenwerkingstraject zal gelijk opgaan met de verzelfstandiging van ons museum die we de komende twee jaar willen uitvoeren.”

Is die verzelfstandiging vooral om de lastige politiek meer op afstand te krijgen?

Esche: „Nee, Ik was er eigenlijk niet voor. Het is een verlies voor de democratie. Ik vind het wel goed dat wij verantwoording afleggen aan de vertegenwoordigers van het volk van Eindhoven. Ook al leidt dat soms tot moeilijkheden zoals het afgelopen jaar.”

Erbslöh: „Het is vooral om praktische redenen. Wij zijn geen kerntaak voor de gemeente. Organisatorisch is zelfstandigheid veel makkelijker.”