Bij de wolven opgegroeid

Willis Earl Beal zong een paar jaar geleden nog op straat in Albuquerque. Nu geeft hij over de hele wereld concerten.

Willis Earl Beal, backstage in Paradiso, 7 maart 2012 Foto Thomas Bokeloh

Op het podium van Paradiso staat een man alleen. Hij draagt een donkere zonnebril, leest een gedicht voor van Charles Bukoswki, danst met krabachtige zijstappen. De muziek komt uit een bandrecorder. De man zingt eenzame liedjes met een stem alsof een berg kolen in beweging komt: schurend, rommelend, gevaarlijk. En dan ineens klinkt hij zoetgevooisd als Otis Redding. De zanger heet Willis Earl Beal. Hij is 27 en komt uit Chicago.

Eens in de zoveel tijd is er een muzikant die klinkt alsof hij bij de wolven is opgegroeid, zonder ooit popmuziek gehoord te hebben, en zelf aan het musiceren is gegaan. Denk aan Antony, Kate Bush, Captain Beefheart. En nu is daar Willis Earl Beal.

Zijn liedjes zijn mijmerende bespiegelingen, met een naar de blues zwemende cadans, begeleid door de klaterende klanken van een ijzeren schootharp (nepenenoyka), of simpele gitaarakkoorden. De muziek is monotoon, schonkig en kaal. Maar door zijn stem, die van emotie broeit, ontstaat, in liedjes als Bright Copper Noon en Away My Silent Lover, een meeslepend elan.

Na het optreden in Paradiso, Amsterdam, zit Beal in zijn kleedkamer in de kelder. Hij leest een roman van Bukowski en draagt nog steeds een zonnebril. Hij legt het boek weg, houdt z’n bril op en vertelt over de achtergrond van zijn buitenstaandersmuziek.

Nog maar een jaar geleden was hij straatmuzikant in Albuquerque, zegt hij. „In die tijd legde ik cd’s met mijn eigen liedjes overal neer.” Ongeveer op dezelfde manier zocht hij een vriendin: door flyers neer te leggen in bars en koffiehuizen. Op de folder stond een getekend zelfportret en de tekst: Greetings, ladies. My name is Willis Earl Beal. I am a good person. I like oatmeal, trainstations and chamomile tea. Call me right now at (505) 288-9593. I’m 5 ft9.

„Ik zat in het leger, daar kreeg ik een maagkwaal en werd ontslagen. Toen ik in Albuquerque kwam ging ik op zoek naar een baan en vrienden. Maar niemand reageerde. In de tussentijd maakte ik muziek, thuis en op straat, om te voorkomen dat ik gek zou worden.”

Kinderharp

De liedjes nam hij op met een cassetterecorder, hij speelde alle instrumenten zelf en zong zijn eigen achtergrondvocalen. „Ik had niet veel instrumenten. Ik gebruikte een kinderharp van de rommelmarkt en een akoestische gitaar. Ik zong in de badkamer, voor de juiste echo, en als drum gebruikte ik een vuilnisbak met een microfoon eronder.” Zijn hartenkreten werden opgemerkt door Found Magazine. Het kunstzinnige tijdschrift publiceerde de flyer waarmee hij een vriendin zocht, en voegde kopieën van de cassette bij, waardoor platenmaatschappij XL, die ook Adele uitgeeft, hem op het spoor kwam.

„Afgelopen zomer kreeg ik ineens een telefoontje van de platenmaatschappij. Of ze mijn ruwe opnamen konden uitbrengen. Zo willen ze je niet, zo willen ze je wel.” Zat hij enkele jaren geleden nog zichzelf te interviewen op zijn kamer in Albuquerque, nu is zijn leven gevuld met concerten, tournees en tv-optredens, zoals onlangs bij de show van Jools Holland voor de BBC televisie. Komende zomer speelt Beal op festivals in Amerika, Engeland en Nederland.

Zijn stem heeft zich sinds de opnamen op zijn cd, Acousmatic Sorcery, ontwikkeld. „In sommige liedje, zoals Evening Kisses, fluisterde ik maar zo’n beetje. Dat komt door Michael Jackson. Toen ik opgroeide wilde ik dezelfde iele meisjesstem als Michael. Op internet zwerven allerlei opnamen waar ik soft en gevoelig zing. Dat vind ik nu vervelend. Zo wil ik niet meer klinken.”

Hoe dan wel? „Stoer, zoals bij mijn optredens.” Hij grijnst. „Misschien ben ik onzeker over mijn mannelijkheid en komt het daardoor.” Vandaar ook de bril? Hij knikt. „Ja, ik wilde er altijd al cool uit zien.”

Hij zet de bril af. „Zo ben ik te kwetsbaar. Op het podium is de bril mijn schild. Ogen zijn de spiegel van de ziel, toch? Het publiek mag veel van me zien, maar niet alles. Mensen zijn vampiers. Ze zuigen je leeg als je te veel oogcontact toestaat.”

Hij knippert. „Ik kan het weten, want ik ben net zo goed een vampier. Ik drink veel, eet veel, ik ben een heel seksueel mens. Ik heb altijd honger naar nieuwe sensaties.” Hij kijkt naar de tafel en glimlacht. „Kijk, als ik mijn bril nu ophad had je niet geweten dat ik verlegen wegkijk.”

Bob Dylan

Op de hoes van Acousmatic Sorcery staat een met potlood getekend portret van Beal en zijn huidige vriendin. Op de achtergrond hangt een portretje van Bob Dylan. „Mensen denken altijd dat Tupac of Sam Cooke mijn voorbeelden zijn, omdat ik zwart ben. Maar mijn helden zijn Cat Power, Bukowski en Dylan. Toen ik in Albuquerque in de nachtploeg werkte, luisterde ik op mijn discman voortdurend naar Dylan. Vooral naar zijn laatste cd’s waarop hij praat over de dood en het ‘grote niets’. Ik had het gevoel dat hij zich speciaal tot mij richtte. Want al ben ik 27, ik ben bang voor de dood als een oude man.

„Bukowski is belangrijk voor me omdat hij zich nergens iets van aantrok. Hij dronk en maakte met iedereen ruzie. Ooit moest hij optreden maar hij had zich opgesloten in de badkamer. Daar zat hij te huilen. Ik vond het mooi dat hij zich niet aanpaste aan de eisen die de buitenwereld aan hem stelde.”

Dat lijkt ook de rode draad in zowel leven als werk van Willis Earl Beal: meedoen of saboteren; buitenstaander of ingewijde; ster of zwerver? Zijn cd sluit af met de acht minuten durende vertelling Masquerade, waarin Beal grauwend en rochelend vertelt over een man die verzeild raakt op een gemaskerd bal. Een ‘raven-haired chick’ complimenteert hem met zijn masker – maar hij draagt er geen.

Voorlopig focust Beal zich op zijn carrière. In ieder geval tot zijn veertigste, zegt hij. „Voor die tijd hoop ik mijn fortuin te maken. Dan koop ik een schuur in Portland en verdwijn uit beeld.” Terug in de vergetelheid, opnieuw. Met één verschil: „Samen met mijn vriendin, is het plan.”