Persfonds tegen groot mediafonds

Twee mediafondsen moeten fuseren, vinden de minister en de Raad voor Cultuur. Maar het Stimuleringsfonds voor de Pers ligt dwars. „Dan worden wij maar het Gallische dorpje.”

Wie subsidie wil aanvragen voor vernieuwende journalistiek of een cultureel mediaproject moet terecht kunnen bij één fonds. De Raad voor Cultuur adviseert minister Van Bijsterveldt (Media, CDA) om het Stimuleringsfonds voor de Pers en het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties (beter bekend als het ‘Mediafonds’) samen te voegen.

Dat is slechts „een eerste stap”, aldus de raad in een advies dat maandag verscheen. Later zouden ook andere fondsen, zoals het Nederlands Filmfonds, moeten toetreden, waardoor een „integraal mediafonds” ontstaat.

Het kabinet kondigde vorig jaar aan de twee fondsen te willen samenvoegen, en wordt daarin nu gesteund door de Raad voor Cultuur. Een fusie komt voort uit het idee dat media beter beoordeeld kunnen worden naar hun functie dan naar de vorm waarin ze het publiek bereiken. Papieren kranten hebben websites; websites en tv zijn soms nauwelijks van elkaar te onderscheiden; media ‘convergeren’, zoals het heet, en de ‘drager’ is steeds minder belangrijk.

Maar het oude onderscheid weerspiegelt zich nog in de twee huidige mediafondsen. Het Stimuleringsfonds voor de Pers steunt vooral projecten waarmee de geschreven pers zichzelf probeert te vernieuwen. Het Mediafonds financiert artistieke projecten voor radio en televisie. Die verkaveling is achterhaald, zegt de raad; nieuwsvoorziening, opinievorming en cultuur maken deel uit van hetzelfde ‘mediaveld’. Subsidie moet hoogwaardige, maar prille of kwetsbare initiatieven steunen en de publieke functie van verschillende activiteiten beschermen, of ze nu journalistiek of cultureel zijn.

Het Mediafonds onderschrijft dat grofweg, maar het Stimuleringsfonds voor de Pers ziet het anders. „Journalistiek verdient een eigen plek”, zegt algemeen directeur René van Zanten. „Dat culturele en journalistieke functies allebei onder druk staan, is geen reden om ze dan maar samen te voegen.”

Van Zanten is niet tegen samenwerking op ad hoc-basis. „Maar onze missie is het beschermen van de journalistieke infrastructuur, en ik zie niet hoe dat gediend wordt door op te gaan in een acht maal groter fonds waar heel andere dingen gebeuren.”

Het Stimuleringsfonds voor de Pers „bevordert innovatie en kennisuitwisseling” en kijkt of een te subsidiëren project zichzelf kan terugverdienen. Inhoudelijk is er geen toetsing, omdat dat op gespannen voet met de persvrijheid zou staan. Bij het Mediafonds is het „precies andersom”, aldus Van Zanten. „De minister vroeg de raad te onderzoeken wat het voordeel is van één fonds, maar dat wordt totaal niet duidelijk.”

Voor Hans Maarten van den Brink, directeur van het Mediafonds, is dat voordeel echter evident. „Niemand zegt dat journalistiek en cultuur hetzelfde zijn. Onze twee fondsen beoordelen aanvragen inhoudelijk inderdaad niet hetzelfde, en de raad maakt dat onderscheid ook. Maar er zijn genoeg dwarsverbanden en het beoordelen van een begroting vraagt wel precies dezelfde expertise”, zegt hij. „Nu de schrijvende journalistiek de kant van internet op komt, lijken journalistiek en cultuur wat betreft dragers en distributie juist steeds meer op elkaar. Daarom is er ‘aan de achterkant’ veel samen te doen.”

Het Stimuleringsfonds voor de Pers kan jaarlijks 2,3 miljoen euro besteden; het Mediafonds 18 miljoen. Raad en minister willen die bedragen voor het nieuwe fonds samenvoegen (na aftrek van een ‘solidariteitskorting’ van vijf procent omdat de sector moet bezuinigen).

Van Zantens vrees te worden opgeslokt is onterecht, zegt Van den Brink. „In het nieuwe fonds zou de verdeling best gunstiger voor journalistieke projecten kunnen uitvallen.”. Dat dat ene fonds er komt, staat vast, zegt hij, al was voor hem een samengaan van Mediafonds met Filmfonds ook denkbaar geweest. „Maar ik zie wel op tegen een fusieproces met een partner die niet wil.”

Het Stimuleringsfonds voor de Pers houdt voet bij stuk: samenwerking op deelterreinen is prima, maar fuseren niet. „De journalistiek heeft het moeilijk en het is de moeite waard daar principieel over te doen”, zegt Van Zanten. Maar is dat, gegeven de brede consensus, wel houdbaar? „Dan worden wij maar het Gallische dorpje”, zegt hij, met een verwijzing naar de enclave waarin stripfiguur Asterix en zijn vrienden moedig stand houden. Van den Brink noemt dat een „vreemde houding”, omdat de fondsen nu eenmaal overheidsbeleid uitvoeren. „Hij vergeet dat het Gallische dorpje niet door de Romeinen werd gefinancierd.”