Pedofilie: terugkeer van een filmtaboe

Volgende week wijst de rechtbank vonnis over Robert M. Zijn verklaring van eigen gedrag herinnert aan kindermoordenaar Hans Beckert in Fritz Langs M. De pedofiel was decennia lang onzichtbaar in de film, en veranderde daarna van welwillend initiator tot monster.

De verdachte verklaart: „Kan ik anders doen dan wat ik gedaan heb? Heb ik niet dat vervloekte in mij: het vuur, de stemmen, de kwelling...? Het is soms net alsof ik achter mijzelf aanzit. Ik wil weg van mijzelf, maar ik kan niet weg. Moet het pad gaan dat ik mijzelf opjaag.”

Die woorden komen niet uit de bekentenis van meervoudig kinderverkrachter Robert M., over wie de rechtbank volgende week vonnis zal wijzen. Ze zijn uit de monoloog van de pedofiele lustmoordenaar Hans Beckert, aan het slot van de film waarin hij ook al met ‘M’ wordt aangeduid. M., eine Stadt sucht einen Mörder van Fritz Lang ging in 1931 in première en geldt als een van de indrukwekkendste films over criminele kinderliefde.

Lang belicht vooral de bezetenheid die daarmee gepaard gaat. Wanneer Peter Lorre, die zich met zijn vertolking van Hans Beckert tot wereldster maakte, zijn slotmonoloog uitspreekt, klinkt bij hem de stem door van Robert M, tachtig jaar later. „Ik had zelfmoord moeten plegen als ik mijn daden had willen voorkomen”, verklaarde die laatste. „Wie weet hoe het er bij mij van binnen uitziet?”, schreeuwt Peter Lorre in M. „Hoe het daarbinnen schreeuwt en brult. Hoe ik het doen moet. Wil niet, moet! WIL NIET, MOET!!”

Ondanks het succes van M heeft het lang geduurd voordat pedofilie in de cinema een plaats kreeg. Pas sinds een jaar of tien ligt daarbij bovendien alle nadruk op de verachtelijkheid van de daders en de verwoestende gevolgen voor de slachtoffers. In 1998 voerde Todd Solondz in Happiness een keurige huisvader ten tonele die zich vergreep aan de kinderen in zijn al even keurige buurt wanneer de ouders even van huis waren. In hetzelfde jaar liet de Deense regisseur Thomas Vinterberg in Festen zien hoe een zoon tijdens een familiefeest wraak nam op de vader die hem als kind aanhoudend had misbruikt.

Zes jaar later laat Pedro Almodóvar in La mala educación (‘Slechte opvoeding’) zijn hoofdpersoon zijn gram halen bij de priester die met hem hetzelfde had gedaan. En in 2003 wordt in Clint Eastwood Mystic River een jongen door vreemden verkrachten en draagt het stigma zijn leven lang mee. Wanneer de dochter van een vriend vermoord wordt teruggevonden, krijgt hij de schuld. Ten onrechte, zo blijkt wanneer het al te laat is.

Aan de gruwelijkheden van Robert M. waagt geen film zich. Waren de slachtoffers van de M van Fritz Lang zo’n acht jaar oud, babyverkrachting lijkt ook nu nog te onvoorstelbaar voor woorden, laat staan dat je zoiets (hoe terughoudend ook) in beeld brengt. Maar intussen heeft de pedofilie in de film wel een wonderlijk traject afgelegd. In de jaren zeventig behoorden erotische relaties met kinderen tot het repertoire van de seksuele vernieuwing. Voor die tijd wordt er nauwelijks over gesproken – niet in en niet buiten de film. Die zwijgzaamheid gold vervolgens als een bewijs temeer voor de noodzaak van een bevrijde infantiele seksualiteit.

Veelzeggend zijn de verfilmingen van de roman Der Fall Maurizius (‘De zaak Maurizius’) van de in inmiddels half vergeten Duitse schrijver Jakob Wassermann – een ware bestseller toen het boek in 1928 verscheen. De jonge zoon van een jurist gaat daarin op zoek naar de waarheid achter een gerechtelijke dwaling, ooit door zijn vader begaan. In de loop van zijn onderzoek krijgt hij een erotische relatie met één van de getuigen van toen. Omwille van dat subplot geldt Der Fall Maurizius als een klassiekers in de pedofilieliteratuur. Senator Edward Brongersma (PvdA), groot voorvechter van het recht op kinderliefde, mocht er graag naar verwijzen.

Maar wie kijkt naar de Franse verfilming die Julien Duvivier in 1954 van dat boek maakte (L’affaire Maurizius) ziet daar niets van terug: het hele subplot is buiten het verhaal gehouden. En zelfs in de prachtige verfilming van Theodor Kotulla uit begin van de jaren tachtig voor de ZDF wordt de knapenliefde heel voorzichtig aangeduid. Meer dan een enkele streling over de wang kan er niet van af.

Toch was dat thema toen al lang niet meer taboe. Visconti liet in Morte a Venezia in 1971 zijn hoofdrolspeler Dirk Bogarde al verliefd worden op de engelachtige jongen Tadzio. Een jaar later liet Louis Malle in Le souffle au coeur Lea Massari, als frivole en zeer aantrekkelijke moeder, het bed delen met haar 15-jarige zoon. Vanaf dat moment buitelden ‘initiatiefilms’ waarin adolescenten door ouderen in de liefde werden ingewijd, over elkaar heen.

Robert Mulligans prachtig vertelde Summer of ’42, waarin een puber op vakantie volwassen wordt door te slapen met de vrouw wiens man in dat oorlogsjaar is omgekomen, dateert van 1971. In Nederland volgde Nouchka van Brakel vijf jaar later met Het debuut: de ontmaagding van een meisje door een oudere man, gespeeld door Gerard Cox. Zelfs L’amant (De minnaar) van Jean-Jacques Annaud uit 1992, naar een boek van Marguerite Duras, valt nog in die categorie. Misschien als laatste uit een reeks die precies dertig jaar eerder geopend werd met Lolita van Stanley Kubrick. Is dat het verhaal van een oude manipulator en een botte puber, later gaat het steeds vaker over mooie en bevredigende relaties die meestal ook gelukkig aflopen. Opvallend is ook dat ze vaak autobiografisch zijn. In L’amant vertelde Duras over haar eigen eerste erotische ervaringen met een oudere Chinese man in Indochina. De scenarioschrijver van Summer of ’42 greep terug op een eigen vakantieavontuur.

Is dat nog pedofilie? De kinderen waar het om gaat zijn 14, 15 soms 16 jaar oud. Aanzienlijk jonger is het meisje dat in Pretty Baby uit 1978 ontmaagd wordt in een bordeel in New Orleans: opnieuw een film van Louis Malle. En bijna net zo jong is de twaalfjarige Jeroen in Voor een verloren soldaat van Roeland Kerbosch, naar het boek van Rudi van Dantzig. Ook dat verhaal, over een jongen die na de bevrijding een relatie aangaat met een Canadese soldaat, is autobiografisch en idyllisch.

Maar in 1992, het jaar dat L’amant uitkomt, is het al een stuiptrekking van verloren onschuld. Tien, vijftien jaar later ligt over elke relatie tussen volwassene en kind of puber de doem van schandaal. Notes on a scandal heet in 2006 de aangrijpende film waarin Richard Eyre laat zien hoe een lerares ten onder gaat aan haar liefde voor een scholier. Deliver us from evil is, een jaar later, de vernietigende titel van de documentaire waarin Amy Berg de wandaden van een pedofiele priester blootlegt.

Heeft daarmee het kwaad de naam gekregen die het verdient? Wellicht. Maar opvallender is hoe verschillend er de afgelopen halve eeuw over pedofilie gedacht is – en hoe haarscherp die verschillen in de film hun weerspiegeling vonden.

Daarbij springt nog iets in het oog. Veel van de genoemde films gaan eigenlijk niet over pedofilie. Kinderliefde maakt deel uit van een ander drama, met andere zeggingskracht. Festen, Happiness en Le souffle au coeur gaan over verrotte burgerij, Morte a Venezia over inspiratie en scheppingskracht, en Der Fall Maurizius over dwalingen van het recht. Zelfs M: eine Stadt sucht einen Mörder gaat uiteindelijk over de verwevenheid van boven- en onderwereld. Die twee kunnen het goed met elkaar vinden: voor beide is pedofiel Hans Beckert een ongewenste last.