Liesbeth Spies wil niet achteruitkijken

„Wat geweldig dat u hier allemaal bent”, zegt Liesbeth Spies standaard de eerste keer dat ze het woord krijgt bij een debat. Altijd met een grote glimlach. Daarna volgt „goedenavond...” en dan de plaatsnaam. Behalve bij het eerste debat, waar het geluid zo slecht was dat Spies bleef steken in „goedenavond Rotter”. Ze kon erom lachen, de zaal ook.

Aanhangers roemen die positieve uitstraling. En haar ervaring. Ze is demissionair minister van Binnenlandse Zaken, was even Statenlid in Zuid-Holland. Ze weet hoe de politiek werkt, dat vinden haar aanhangers geruststellend. Hier staat een staatsvrouw.

Spies beweegt zich met gemak op het podium en haalt anekdotes aan uit de paar maanden dat ze nu minister is. Over de baby in een Tilburgs zwembad bijvoorbeeld, die overleed doordat een schroef was doorgeroest. De Kamer riep haar als minister ter verantwoording over álle schroeven in álle zwembaden, tenminste zo ervoer ze het.

Zulke vragen horen niet thuis in Den Haag, zegt Spies. In de zaal ontstaat geroezemoes: vindt ze het werk van het parlement nou kwalijker dan een overleden kind? Het voorbeeld was ongelukkig gekozen.

En dan de samenwerking met de PVV van Geert Wilders. Liesbeth Spies lijdt er minder onder dan Henk Bleker of Sybrand van Haersma Buma, want ze kreeg pas later een plek in het kabinet. Voor Spies is het hoofdstuk afgesloten. Weg met de „achteruitkijkspiegel”. Spies wil met het hele CDA – „we moeten de rijen sluiten” – naar de toekomst kijken. „Juist nu: samen.” Haar favoriete woord.