Het Lenteakkoord: het zuur, het zoet en de effecten op een rij

In de fractiekamer van D66 werd het Lenteakkoord gevormd. Foto Werry Crone / Hollandse Hoogte In de fractiekamer van D66 werd het Lenteakkoord gevormd. Foto Werry Crone / Hollandse Hoogte

Het vandaag uitgelekte Lenteakkoord omvat in totaal 12,2 miljard aan bezuinigingen en lastenverzwaringen. Hoe worden de lasten verdeeld en wat doet het met de koopkrachtplaatjes?

De positieve maatregelen

Het eerste voelbare effect van het Lente-akkoord is positief. Over twee maanden gaat, volgens de uitwerking die De Telegraaf publiceerde, de BTW op de podiumkunsten al naar beneden. Het kabinet Rutte verhoogde een jaar geleden dit tarief van 6 naar 19 procent. Dat gebeurde op aandrang van gedoogpartner PVV die op deze manier “de grachtengordel” wilde laten meebetalen. Maar door verzet uit de Eerste Kamer werd de maatregel pas op 1 juli 2011 ingevoerd. Vanaf die datum wordt ook de verlaging ingevoerd. Andere meevallers voor wie het aangaat: eerder voorgenomen bezuinigingen op het passend onderwijs, de geestelijke gezondheidszorg en het persoonsgebonden budget worden geheel of gedeeltelijk afgeschaft.

Maar er zijn ook lastenverzwaringen…

Maar dat goede nieuws, ervan uitgaande dat deze versie van het Lente-akkoord definitief wordt, komt snel in de schaduw te staan door de lastenverhogingen waar iedereen mee te maken krijgt. Zo gaat de BTW van 19 naar 21 procent. Om het effect op de koopkracht te dempen wordt een deel van de opbrengst (4,2 miljard euro) weer teuggegeven via een lagere inkomstenbelasting (1,5 miljard). In het Catshuisakkoord zou die teruggave pas in 2014 beginnen.

Andere lastenverhogingen die de koopkracht aantasten: woon-werkverkeer wordt belast, accijnzen op sigaretten (35 cent), bier (10 procent), wijn (15 procent) en sterke drank (6 procent) gaan omhoog. Relatief wordt de borrel dus goedkoper.

…en hervormingen

Maar het akkoord gaat verder dan alleen maar kale lastenverhogingen. VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie hebben elkaar ook gevonden in een aantal hervormingen. Maar ook daar geldt in de meeste gevallen dat het de burger uiteindelijk geld kost. Bijvoorbeeld op de woningmarkt waar – het was al eind april bekend geworden – de aftrekbaarheid van nieuwe hypotheken wordt beperkt. Aflossen wordt verplicht en daarmee lijkt bijvoorbeeld de populaire spaarhypotheek ten dode opgeschreven. Voor de huurders die het volgens het Rijk kunnen betalen gaat de huur 1 procent (plus inflatie) omhoog.

Een stelselwijziging mag ook de verhoging van de AOW-leeftijd worden genoemd. Die stijgt volgend jaar al een maand en zal in 2019 via snellere verhoging op 66 jaar liggen. Vier jaar later wordt dat 67 jaar en met die snelle verhoging lijkt het pensioenakkoord dat minister Kamp met de bonden vorig jaar sloot ten dode opgeschreven. Daarin werd besloten de leeftijd in 2020 naar 66 te tillen. Ook het ontslagrecht gaat op de helling. Er komt een wettelijke regeling voor mensen die een contract voor onbepaalde tijd hebben. De rechter wordt pas ingeschakeld als een werknemer bij ontslag niet akkoord gaat met die regeling.

Een na grootste bezuiniging is op de zorg

Na de BTW-verhoging wordt de grootste besparing uit de zorg gehaald. Op die manier – vorig jaar stegen de kosten met 2 miljard tot 62 miljard – moet de groei beperkt worden. De beperking moet voor een deel van de burger zelf komen. Bijvoorbeeld door een verplicht eigen risico van 350 euro en door voor gehoortoestellen een eigen bijdrage van 25 procent te vragen. Verder komt er een onderzoek naar de norminkomens van specialisten. Ook andere regelingen moeten volgens het akkoord nog worden uitgewerkt. Zo wordt de groei van de kosten op grond van de AWBZ – de medische kosten die niet onder de verzekering vallen - een halt toegeroepen. Hoe dat gebeurt, valt niet uit de nu bekend geworden uitwerking te halen.

En wat doet dat met de koopkracht?

En wat betekent dit uiteindelijk voor de koopkracht? Daar buigt het Centraal Planbureau zich nu over. Premier Rutte noemde de koopkrachteffecten vanmiddag evenwichtig, zonder in details te willen treden. Uit de eerste berekeningen van het ministerie van Financiën zouden ouderen met een redelijk pensioen er ruim 3 procent op achteruitgaan. Voor de meeste mensen blijft het koopkrachtverlies beperkt tot minder dan 2 procent. De hogere inkomens zouden niet of nauwelijks hoeven in te leveren, of er zelfs op vooruitgaan. Dat lijkt een mooie aftrap voor de campagne in de aanloop naar de verkiezingen van 12 september.