Gezocht: geschikte kamer voor niet-roker (92)

Een goed hotel is makkelijker te vinden dan een goed verpleeghuis. NRC-redacteur Joke Mat bezocht vijf huizen, op zoek naar een plek voor haar demente vader.

Voor het eerst loop ik door een verpleeghuis met het idee dat iemand die mij lief is er misschien gaat wonen. De zorg voor mijn 92-jarige demente vader wordt te zwaar voor mijn moeder (79). Zij, mijn broer en ik zoeken een goede plek voor hem. Niet per direct, wel voor de nabije toekomst. We willen ook voorkomen dat hij via een ‘crisisplaatsing’ willekeurig waar terechtkomt.

Voor mijn werk ben ik weleens in – andere – verpleeghuizen geweest, dagenlang soms. Dan zie je dat het een plaats is als alle andere, waar mooie en minder mooie dingen gebeuren, met hardwerkende mensen die meer of minder gevoel hebben voor het werk. Het schrikbeeld van mensen die nooit douchen en soms lang liggen te wachten in hun eigen vuil heeft iets van zijn kracht verloren. Dat zijn excessen. We laten het niet gebeuren dat mijn vader in zó’n verpleeghuis terechtkomt.

Maar wat we hier zien, valt niet mee. De eerste afdeling ruikt naar urine, de tweede naar sigarettenrook. Niet-rokers als mijn vader kunnen daar ook terechtkomen, vertelt de vriendelijke vrouw die ons rondleidt. Ze lijkt dat normaal te vinden. Nieuwe bewoners komen op een tweepersoonskamer. Een eenpersoonskamer is „een lot uit de loterij”. „Kijk, als je op het knopje van de lift drukt, gebeurt er niets”, demonstreert ze trots. De patiënten kunnen niet weglopen, bedoelt ze, ze zijn veilig. Wij krijgen het er benauwd van.

„Dat is wel vrolijk”, wijst mijn moeder. Ze ziet een gang met mooi, blauw tapijt, met felrode vlakken. „Daar zijn de kantoortjes”, zegt onze gids.

Nee, dit is niet wat we zoeken. We zoeken een plaats waar mijn vader zich op zijn gemak voelt, aardig en vakkundig wordt benaderd, geschikte dingen te doen krijgt, tot rust kan komen. Luxueus hoeft het niet te zijn, wel aangenaam. Mijn moeder wil mee verhuizen naar een appartement bij het verpleeghuis. Het liefst wil ze haar man kunnen bezoeken zonder de straat op te hoeven. Na ruim veertig huwelijksjaren is dat geen onbegrijpelijke wens.

Maar onze gids lijkt het maar een mal idee te vinden. In ieder geval is het hier niet mogelijk. Tegen de tijd dat mijn moeder zelf ook zorg nodig heeft: dan heel misschien. Dit verpleeghuis neemt nog mensen op die recht hebben op lichte zorg. Een groot voorrecht, legt ze uit. De meeste verpleeghuizen doen dat niet, omdat ze nauwelijks geld krijgen voor zulke cliënten.

Hoe vind je een goed verpleeghuis? Internet blijkt hiervoor nauwelijks bruikbaar. Op de webpagina’s van verpleeghuizen staan vooral hun eigen ronkende visies. Wat we echt zouden willen lezen, bestaat niet: recensies – ongecensureerde ervaringen van (familie van) bewoners, zoals op websites over campings of hotels. De website Kiesbeter.nl komt in de buurt, maar de hier gerapporteerde ‘ervaringen’ zijn gemiddelden, weergegeven als antwoorden op standaardvragen.

We gaan zelf kijken. Twee dagen trekken we uit voor een rondje langs vijf verpleeghuizen. Drie ervan komen voor in allerlei ranglijsten op internet. Ze staan in de middenmoot of lager. Er zijn waslijsten met scores van deze verpleeghuizen bekend (van ‘vaccinatiegraad medewerkers’ tot gebruik van ‘sufmakende medicatie’). Die ontlopen elkaar niet veel.

Over één verpleeghuis vinden we een twee jaar oud inspectierapport. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat het er beter is dan eerst. Dat is het tweede verpleeghuis dat we bezoeken. Het gebouw maakt inderdaad een gunstige indruk. Er is een nieuwe afdeling met ‘kleinschalige wooneenheden voor dementerenden’, waar zeven of acht mensen een huiskamer met keuken delen. Gelijkvloers, veel licht, veel groen. In de zomer kunnen de bewoners naar buiten lopen, de afgesloten tuin in. De slaapkamers zijn klein maar aangenaam, in elk geval eenpersoons en rookvrij.

We horen wel mensen onophoudelijk roepen. „Ze steken elkaar aan, hè”, zegt de wederom buitengewoon aardige vrouw die ons rondleidt. Er is geen personeel in de woonkamers. De aanwezige medewerkers zitten goed hoorbaar in een kantoortje met elkaar te praten. Misschien omdat het rusttijd is (half 2), maar het maakt geen prettige indruk.

Verpleeghuis 3 ligt aan een fraai park (plus), maar wordt waarschijnlijk binnenkort verbouwd (dikke min).

Nu staan ons nog twee moderne verpleeghuizen te wachten. Het eerste staat aan de rand van een vinexwijk en is pas twee jaar oud. Mijn moeder kan bovenin het gebouw een serviceflat huren en dan met de lift haar man bezoeken. Het klinkt veelbelovend. Maar wat een naar, ouderwets complex. In de lobby staat als een fort De Receptie. Schuifdeuren geven toegang tot klinische, ziekenhuisachtige gangen. Daaraan liggen de geschakelde huiskamers van de zogenaamd ‘kleinschalige’ afdelingen. Woorden die bij ons opkomen, zijn eerder ‘massaal’ en ‘institutioneel’.

Modern is wel dat er drie leefgroepen zijn: Indisch, streng christelijk en huiselijk. Dat klinkt klantgericht, maar mijn vader zou gewoon op de huiselijke afdeling komen, en zo huiselijk vinden we die niet. Een vrouw zit er agressief te roepen dat een andere vrouw weg moet. „De huiskamer is voor iedereen, mevrouw”, sust een medewerker, een man met bovenarmen als boomstammen, vol tatoeages.

Het laatste verpleeghuis is klein. De inrichting is modern, maar niet zakelijk, in bruine en mosgroene tinten. Er is een restaurant op de begane grond, waar een groep ouderen aan een lange tafel zit te lunchen. Mijn moeder kan in een naastgelegen appartementenblok wonen en hier samen met mijn vader gaan eten. Na een kippenpoot met brood keuren we de keuken goed.

Met de dit keer mannelijke rondleider nemen we de lift naar boven. In een huiskamer met donker parket en een weids uitzicht zitten drie of vier vrouwen in alle rust op een stoel. Een zwaait ons vrolijk toe. De rondleider vraagt of we haar kamer even mogen bezichtigen.

Die zit boordevol ‘domotica’: techniek. Bewoners delen per twee een badkamer, op een manier dat ze elkaar niet kunnen tegenkomen. Als iemand ’s nachts uit bed stapt, gaat via een bewegingssensor in de vloer een lichtje branden bij de nachtwacht. Wil hij de gang op, dan gaat er een ander lichtje aan. Mijn moeder fleurt op. Het is haar grootste zorg: dat mijn vader ’s nachts iemand nodig heeft en er niemand in de buurt is.

Dit is een verpleeghuis waarvan we ons voorzichtig kunnen voorstellen dat mijn vader zich er thuis zou kunnen voelen. Al waarschuwt de rondleider ons eerlijk: het eerste half jaar zal niet meevallen. Het kost tijd voordat een oude man zich thuis voelt in een nieuwe omgeving, al is aan alle voorwaarden voldaan.

We zullen nooit weten hoe het zou zijn verlopen. Enkele weken na ons bezoek aan de verschillende locaties overlijdt mijn vader. Onze kennismaking met verpleeghuizen houdt bij de eerste indruk op.

Wat we eraan overhouden, is dat wat sommige verpleeghuizen aanbieden weinig te maken heeft met wat wij minimaal denken te mogen verwachten. Deels komt dat vast door mismanagement, geldgebrek en personeelstekort – zaken waaraan de werkvloer weinig kan doen. Maar het zit ook in dingen die makkelijk te verbeteren zouden zijn, zoals een huiselijke inrichting en een groter inlevingsvermogen.

De meeste medewerkers die we ontmoeten, die tot taak hebben (familie van) mogelijke nieuwe klanten te woord te staan, schakelen zonder waarschuwing over op angstaanjagend jargon over indicaties, zorgzwaartepakketten en IB60-formulieren. Slechts een enkeling vermijdt dat en lijkt te begrijpen wat wij zoeken.

Zoals mijn broer verzucht als de deur van het laatste verpleeghuis achter ons dichtvalt: „Het kán dus wel!”