Falende banken zijn les voor bedrijven

Het is onverstandig om het kapitalisme na de crisis overboord te gooien. Laat consumenten bedrijven aanspreken op hun gedrag, betoogt Jeroen Smit.

Na de val van de Muur waren we er in meer of mindere mate van overtuigd dat inefficiënte, bureaucratische overheden moesten plaatsmaken voor zo veel mogelijk marktwerking. Sinds de jongste crisis groeit de overtuiging dat overheden weer meer aan het stuur moeten zitten. Dit is dom, want terug naar af. Bedrijven moeten laten zien dat ze zich werkelijk ontfermen over de omgeving waarin ze opereren, maar hiervoor moeten ze wel de ruimte krijgen – van ons.

Het nieuwe wantrouwen is begrijpelijk. Na twintig jaar van dereguleren en meer marktwerking is het op diverse fronten behoorlijk misgegaan. In zijn boek Niet alles is te koop stelt politiek filosoof Michael Sandel, hoogleraar aan Harvard, deze kwestie op prikkelende wijze aan de kaak. Hij begrijpt wel dat de markt een verleidelijk idee is dat optimale vrijheid suggereert. De markt oordeelt niet en laat ons in alle vrijheid keuzes maken. Tegelijkertijd maakt Sandel zich grote zorgen. Door het steeds dominanter wordende economische denken en handelen krijgen minder uitrekenbare, maar minstens zo belangrijke waarden te weinig aandacht.

We betalen ook een prijs voor de dominante suggestie dat we in een wereld van markt en strijd leven, waarbij het een spel is van ieder voor zich en God voor ons allen. Voor mij is dit vooral duidelijk geworden door de ontwikkeling die banken hebben doorgemaakt tussen 1989 en 2008. In een vrijgemaakte competitie met elkaar en andere beursgenoteerde bedrijven beloofden banken hun aandeelhouders steeds snellere en grotere winsten. Door beloningen aan de ontwikkeling van de koers te koppelen, kwam de persoonlijke profit and loss centraal te staan in het handelen van veel bankmanagers.

De meer kwalitatieve zaken – grotere verantwoordelijkheden van banken, zoals de stabiliteit van de economie waarin ze werken – verdwenen naar de achtergrond. Bankiers die konden genieten van het psychisch inkomen, van de wetenschap dat ze belangrijk zijn voor de samenleving, maakten – vooral op de hoofdkantoren – plaats voor bankiers die bezig waren zo snel mogelijk zo rijk mogelijk te worden, met de bekende, dramatische gevolgen. De risico’s werden onbeheersbaar. Banken moesten worden gered met enorme hoeveelheden belastinggeld. Nu weten we weer dat grote banken vertrouwenwekkend en risicomijdend moeten zijn en dienstbaar aan de samenleving. Ze hebben een nutsfunctie. Dit is precies de reden waarom we hen niet failliet kunnen laten gaan. Dit is een dure les.

Een belangrijke les ook, omdat ze verder reikt dan bankenland. Ook gewone bedrijven en ondernemers worden gefrustreerd door de snel gegroeide focus op kortetermijnresultaten. Dag in dag uit proberen ze overeind te blijven in dit spel van eten of gegeten worden. Zo komen ze niet toe aan een voortrekkersrol bij het oplossen van de steeds prangender problemen van milieu, voedsel, armoede en energie. Juist de grote, vaak beursgenoteerde bedrijven moeten en kunnen het verschil maken.

De plofkip is een klein, maar opwekkend voorbeeld hiervan. Unilever, Struik en Olvarit namen afgelopen weken in koor afscheid van de plofkip. Dit deden ze niet omdat de vraag naar het goedkope vlees is opgedroogd of omdat er opeens een wet ligt die de consumptie van plofkippen verbiedt. Nee, het lijkt erop dat deze ondernemers – stevig aangemoedigd door Wakker Dier – een ethische afweging hebben gemaakt.

Idealiter veranderen consumenten hun gedrag, droogt de vraag op en worden producenten zo gedwongen over te gaan op andere productiemethoden. Dit blijkt niet eenvoudig. De plofkip is goedkoop. Een goed excuus om haar toch te kopen, vooral in crisistijden. De ethische behoefte van een individu om een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de wereld is een abstract langetermijnidee. Het wordt relatief gemakkelijk opzijgeschoven door de behoeften van het hier en nu.

Bedrijven moeten het voortouw nemen. Bestuursvoorzitter Paul Polman van Unilever noemt dit „het goede doen”. Hij vindt het logisch dat een bedrijf als Unilever zich ontfermt over zaken als duurzame inkoop, het halveren van de afvalberg en het helpen van honderden miljoenen mensen bij het verbeteren van hun hygiënische levensomstandigheden. Daarbij is hij ervan overtuigd dat het bedrijf hierdoor zal groeien. Zijn aandeelhouders heeft hij een verdubbeling beloofd van de omvang van de multinational in 2020.

H et is geen gemakkelijke weg. Investeringen zijn nodig in allerlei kwalitatieve zaken die pas op langere termijn rendement kunnen opleveren. Wanneer zullen consumenten echt bereid zijn om meer te betalen voor duurzame producten? Dit zal tijd kosten. Voor bedrijven als Unilever is het daarom essentieel dat ze worden verlost van de tirannie van het kortetermijndenken. Polman roept zijn beleggers op zich weer voor de lange termijn te verbinden aan zijn bedrijf en samen te geloven in de gemaakte duurzaamheidsplannen. Hij onderstreept deze wens door geen kwartaalcijfers meer te presenteren.

Dit is een veelzeggend en moedig besluit. Het zal pas effect sorteren als veel multinationals snel dit voorbeeld volgen. Ook zij zullen hiervoor eerst hun angst moeten overwinnen voor op kortetermijnresultaten gerichte aandeelhouders. In een interessant pleidooi in Harvard Business Review, getiteld Capitalism for the Long Term, roept de wereldwijde baas Dominic Barton van McKinsey vooral de grote institutionele beleggers – pensioenfondsen, verzekeraars – op om meer rust te creëren. Ze hebben de slagkracht, zijn goed voor zo’n 35 procent van het wereldwijd belegde vermogen en hebben bovendien de verantwoordelijkheid hun klanten op de lange termijn financiële zekerheid en stabiliteit te bieden.

Barton stelt na een wereldwijde rondgang langs vierhonderd leiders in de economie en het bedrijfsleven vast dat juist deze machtige beleggers de afgelopen jaren hebben bijgedragen aan het opjagen van grote bedrijven om zich meer en meer te richten op de korte termijn. Ze willen aan hun verzekerden, ons dus, van dag tot dag kunnen laten zien dat het wel snor zit met de rendementen en dat we ons geen zorgen hoeven te maken over uitkeringen die vaak nog in de verre toekomst liggen.

Het wordt dus tijd dat wij onze grote dienstverleners oproepen zich minder druk te maken over kortetermijnwinsten. Zo ontstaat de broodnodige ruimte voor ondernemers om het goede te kunnen doen.

Dit vergt een omslag in het denken, maar er staat gelukkig een grote stok achter de deur. Deze is nog niet zo lang geleden indringend verwoord door bestuursvoorzitter Feike Sijbesma van chemieconcern DSM: „Niemand kan succesvol zijn in een wereld die faalt.”

Jeroen Smit is schrijver van het boek De prooi en hoogleraar journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij spreekt volgende week donderdag bij een conferentie van CBE Academica in Amsterdam met Michael Sandel, auteur van het boek What Money Can’t Buy: The Moral Limits of Markets.