De schrijver met de kleurpotloden

Carlos Fuentes was de schrijver die de Mexicaanse geschiedenis als schatkist ontdekte en het Latijns-Amerikaanse surrealisme aanwendde als toverkruid.

In een ziekenhuis in Mexico-stad overleed gisteren Carlos Fuentes. De Mexicaan ‘met de kaneelkleurige huid’, zoals hij zichzelf definieerde,werd 83 jaar. Hij geldt als een van de grootste schrijvers van Latijns-Amerika. In 1987 werd hij bekroond met de Cervantesprijs, de Spaanse tegenhanger van de Nobelprijs voor literatuur.

Maar dat hij in het Spaans schreef, was een keuze. Hij groeide op in de VS, in Washington. Als zoon van een Mexicaanse diplomaat woonde hij verder in verschillende Europese steden, ook in Den Haag. Mexico was voor hem het land van de vakanties bij zijn grootmoeders. Door die twee vrouwen kwam het, schreef hij in zijn essaybundel Myself with Others (1988), dat hij in het Spaans ging schrijven. Ze overspoelden hem met verhalen die hem zouden bepalen – een kind dat altijd aan het schrijven was en op zijn zevende met kleurpotloden een krant maakte.

Fuentes werd de schrijver die de Mexicaanse geschiedenis als schatkist ontdekte en exploiteerde. „Het gaat erom dat het verleden nooit voorbij is”, zei hij in 1997 in een interview met deze krant. „Het [verleden] is noodzakelijk voor de voortgang van het heden en het moet steeds opnieuw worden uitgevonden.” Maar hij beperkte zich niet, hij pakte de Latijns-Europese geschiedenis erbij. En hij wendde het Latijns-Amerikaanse surrealisme aan als toverkruid.

In 1958 debuteerde hij met La région más transparente. Dat boek werd gevolgd door een lange reeks meeslepende romans en verhalenbundels, die de lezer woest heen en weer gooien, in de tijd en over de continenten. Fuentes romans zijn verwarrend en onweerstaanbaar. Tintelend van enthousiasme, levensdrang en lust, doen ze hun schrijver kennen als een charmeur en als een erudiete denker. Ze zitten vol zogenaamd argeloze filosofische observaties en verwijzen als vanzelf naar de Europese cultuur, van Tolstoj tot Ingmar Bergman.

Fuentes’ meesterwerk De dood van Artemio Cruz (1962) is een variatie op Orson Welles’ filmklassieker Citizen Kane, met een hoofdpersoon in wie verleden, heden en toekomst van Mexico samenvallen. Het personage Artemio Cruz dook op in Honderd jaar eenzaamheid van Fuentes’ vriend Gabriel García Márquez. Omgekeerd wandelen er figuren van García Márquez in zijn boeken rond. Dat had een reden. De Latijns-Amerikaanse schrijvers, wist Fuentes zeker, vertellen samen het verhaal van hun continent: „[Márquez] doet de Colombiaanse hoofdstukken, Julio Cortázar werkte aan de Argentijnse, Pablo Neruda draagt bij aan de Chileense, Octavio Paz en ik aan de Mexicaanse.”

Fuentes werd allengs somberder over Mexico. In zijn even wrede als sexy toekomstroman De stoel met de adelaar (2002) noemt hij het ‘Makesicko’ en beschrijft hij een land dat zich door misdaad en corruptie volledig heeft geïsoleerd.

Cervantes’ Don Quichot was zo belangrijk voor hem dat hij het elk jaar met Pasen herlas. De reden? „De belangrijkste les van Miguel de Cervantes is dat er een diepe kloof ligt tussen dromen en de werkelijkheid, maar dat ze beiden reëel zijn”, legde hij uit in 2006 uit, in het interview dat zijn Huizingalezing van dat jaar als aanleiding had. In die kloof verkeerde hij. Daar versmolt hij verbeelding en realiteit tot een grote zee. Daarop dobberend schreef hij zijn boeken.