De mannen die Cannes maken

Vanavond begint de 65ste editie van het filmfestival van Cannes. Wie zijn de mannen die aan de touwtjes trekken bij het meest prestigieuze festival ter wereld?

Twee wijze lessen gaf Gilles Jacob mee aan zijn opvolger Thierry Frémaux toen hij in 2001 de programmering van het meest prestigieuze filmfestival ter wereld aan hem overdroeg: „Ga er nooit vanuit dat Cannes het beste filmfestival ter wereld is, maar zorg wel dat het zo blijft.” En wat de kritiek van de pers betrof: „Als het festival een sterke editie kent, dan komt dat door de films. Als het festival een zwak jaar heeft, ligt het aan de artistieke leiding.”

Gilles Jacob (Parijs, 1930) vertrok nooit echt uit Cannes. Budgettair en organisatorisch trekt hij tot op de dag van vandaag aan de touwtjes als président van Cannes. Maar de cruciale taak van het selecteren van films droeg hij ruim tien jaar geleden over aan Frémaux (Lyon,1960). Sindsdien begroetten de twee mannen gebroederlijk naast elkaar de uitverkoren filmmakers die de selectie van het festival hebben gehaald en de rode loper op de beroemde trappen van het Festivalpaleis mogen bestijgen.

Precies zo was het bij Jacob gegaan toen hij begin jaren zeventig in Cannes werd aangesteld: eerst mocht hij zich alleen met de filmselectie bemoeien en had hij niets te zeggen over cruciale aspecten van het festivalbedrijf, zoals het budget en niet te vergeten het uitnodigingenbeleid voor feestjes en premières. Gaandeweg verzamelde hij meer bevoegdheden. Zo heeft ook Frémaux het afgelopen decennium mandaat binnengehengeld. Aanvankelijk had hij als ‘artistiek gedelegeerde’ alleen zeggenschap over films. Inmiddels mag hij als ‘algemeen gedelegeerde’ zijn bestuurlijke tentakels verder uitstrekken.

Het geheim van Cannes

De samenwerking tussen president Jacob en algemeen gedelegeerde Frémaux is aanleiding voor eindeloze speculaties in Franse filmkringen over onderlinge frictie en verschillen van mening. Maar de feitelijke substantie van de geruchtenstroom blijft meestal bedekt onder het ‘geheim van Cannes’. Veel warmte schijnt er niet te te bestaan tussen de twee. In de drie jaar geleden verschenen memoires van Jacob, La vie passera comme un rêve (in het Engels verschenen als Citizen Cannes) schittert Frémaux door afwezigheid. Dit jaar gaat een film van Jacob in première tijdens het festival, over de geschiedenis van Cannes, dat zijn 65ste editie beleeft. De vraag is of daarin toch tenminste een cameo weggelegd zal zijn voor Thierry Frémaux.

Buiten Frankrijk zijn deze culturele bemiddelaars nauwelijks bekend bij het grote publiek. Flitsende mediapersoonlijkheden kunnen festivaldirecteuren ook nauwelijks zijn. De directeur van een festival op de A-lijst moet voortdurend complexe onderhandelingen voeren met machtige studio’s en relaties cultiveren met filmmakers met geprononceerde ego’s. Hij moet daarom altijd voorzichtig zijn in zijn uitspraken. Zeker Jacob heeft een reputatie te verliezen als stille, sluwe strateeg met Machiavellistische trekjes. Maar hun relatieve onbekendheid is omgekeerd evenredig aan de macht en de invloed die ze uitoefenen in de filmwereld. Cannes biedt niet alleen glamour en prestige aan filmmakers, het festival zet de toon en bepaalt de agenda van de filmdistributeurs, programmeurs en journalisten over de hele wereld.

Verandering gaat traag in Cannes, heel traag. Dat maakt het festival wellicht ook zo Frans; alles moet veranderen om te kunnen blijven zoals het was. Frankrijk is na de recente verkiezingsoverwinning van de socialist Hollande wel getypeerd als een ‘anarchistisch-conservatieve natie’: behoudend en revolutionair tegelijk. Die wonderlijke combinatie van eigenschappen is ook het filmfestival van Cannes op het lijf geschreven. De filmkunst mag dan vernieuwend en veeleisend zijn, het festival zelf kent een onverbiddelijke dresscode, vaste rituelen en een onwrikbare hiërarchie met een fijnmazig systeem van accreditaties, want iedereen moet wel zijn plek kennen.

Theekransje voor oude dames

Toen de festivalleiding vorige maand de selectie bekend maakte, klonk hier en daar protest dat er wel erg veel oude bekenden opduiken, met vier films in competitie van regisseurs die al een Gouden Palm op hun naam hebben: Ken Loach (Engeland), Michael Haneke (Oostenrijk), Abbas Kiaristami (Iran) en Christian Mingui (Roemenië). Nieuw is dat fenomeen zeker niet. Een Franse journalist typeerde Cannes jaren geleden als „een theekransje, waarin oude dames elk jaar over hetzelfde praten”. Die kritiek pareert Frémaux eenvoudig: „Iemand die een jazzfestival organiseert, gaat toch ook Miles Davis niet overslaan?”

„Mijn ervaring en zijn jeugd vormen een uitstekende combinatie”, verklaarde de 82-jarige Jacob niet zo lang geleden over zijn inmiddels 52-jarige secondant. De langzame machtsoverdracht van Jacob aan Frémaux is meer dan een generatiewisseling. Beide heren zetten hun eerste stappen in de filmwereld als critici; Jacob schrijft in zijn memoires dat er 60 miljoen inwoners van Frankrijk zijn, en ook 60 miljoen filmrecensenten. „Iedereen kan het.” Maar daar houden de overeenkomsten tussen de twee mannen op. Jacob is een echte culturele insider. Hij is afkomstig uit een welgesteld burgerlijk milieu in het hart van Parijs; zijn moeder stelde hem als jongeman al voor aan schrijver André Gide, regisseur Claude Chabrol was een schoolvriendje. Later was hij dik bevriend met François Truffaut en stond op goede voet met grootheden als Jean-Luc Godard en Maurice Pialat. Schrijven over film deed Jacob aanvankelijk uit liefhebberij, naast zijn echte baan als bestuurder in het bedrijf van zijn vader.

Frémaux is het product van van wat de Fransen l’escalier sociale noemen, de sociale ladder. Zijn vader was ingenieur bij een energiebedrijf, hij groeide op in een banlieu van Lyon. De vader van Frémaux was een groot filmliefhebber, met name van westerns. John Fords klassieker Stagecoach (1940) zou het filmvuur bij zijn zoon hebben doen ontbranden. Als snel onderscheidde Frémaux zich van zijn vriendjes door zijn voorkeur voor obscure films, en zijn merkwaardige voorliefde voor films in de version originale (zonder Franse nasynchronisatie). Zijn specialisme is de cinema van de Verenigde Staten, volgens Frémaux de beste van de wereld.

Na enkele jaren als filmjournalist werd hij als 23-jarige naar het pas opgerichte Institut Lumière in Lyon gehaald door zijn leermeester, filmregisseur Bertrand Tavernier. Hij was betrokken bij de oprichting van het filmmuseum, dat is vernoemd naar de filmpioniers Louis en Jean Lumière. Frémaux is nog altijd directeur van dat instituut en organiseert daar elk jaar in oktober het Festival Lumière.

In 1999 kwam het aanbod om directeur te worden van de zojuist naar een nieuw gebouw verhuisde Cinémathèque française in Parijs, maar Frémaux sloeg dat aanbod af. Hij wilde Lyon niet in de steek laten.

Opmerkelijke cultuurpaus

Twee jaar later kwam de uitnodiging om Jacob op te volgen bij de filmselectie in Cannes. Frémaux vroeg Tavernier om raad. Hij verklaarde: „Wanneer Cannes langskomt, kun je geen nee zeggen.” Frémaux stelde als voorwaarde dat hij zijn functie in Lyon kon behouden, hij wilde ook afstand kunnen nemen van hyperspanning en hysterie van Cannes. Het is mooi om van tijd tot tijd een bazooka af te vuren, maar een klappertjespistool is ook niet gek.

Nog altijd is Frémaux een opmerkelijke cultuurpaus: een outsider als insider. Hij heeft een woning in zowel Parijs als Lyon en reist tussen die steden op en neer met de hogesnelheidstrein; hij is weinig geporteerd van lange lunches, hij eet liever een broodje tussendoor in de filmzaal. Hij luistert graag naar muziek van Ástor Piazzolla en Bruce Springsteen. Frémaux is een fanatiek aanhanger van voetbalclub Olympique Lyon en verafgoodt wielrenner Eddy Merckx. Zelf is hij een goed getrainde fietser. Tijdens vakanties legt hij met gemak 200 kilometer af op zijn racefiets. Hij was een begaafd judoka, in bezit van de zwarte band met de vierde dan. Zijn schamele inkomen als filmjournalist vulde hij in zijn jonge jaren aan met het geven van judolessen.

Zijn honger naar film is grenzeloos: jaarlijks ziet Frémaux ongeveer 500 films. In de drukke periode tussen januari en april, als de meeste films binnenkomen die in aanmerking willen komen voor selectie in Cannes, ziet hij soms zeven films per dag. Mentor Tavernier omschrijft de filmliefde van zijn voormalige pupil als „pragmatisch”. Frémaux heeft altijd een afkeer gehad van het dogmatische onderscheid tussen commerciële en artistieke films; goede films zijn hem allemaal even lief.

Die open houding leverde hem soms kritiek op, zoals in 2006 toen Frémaux de zwakke blockbuster The Da Vinci Code als openingsfilm selecteerde. Maar vaker komen daar mooie dingen uit voort. Het is zeer de vraag of een film als The Artist – innemend, charmant maar ook gelikt – een plaats in de competitie had kunnen veroveren als niet Frémaux het voor het zeggen had gehad, maar Jacob met zijn voorkeur voor klassieke auteursfilms.

Dat geldt ook voor een documentaire als Fahrenheit 9/11 van Michael Moore een ‘animatiedocumentaire’ als het Israëlische Waltz with Bashir en de bescheiden, maar opmerkelijke plek die Cannes inmiddels biedt aan kwaliteitsdrama voor televisie, met dit jaar de HBO-productie Hemingway & Gellhorn , waarin Clive Owen schrijver Ernest Hemingway speelt en Nicole Kidman oorlogscorrespondente Martha Gellhorn. En zonder daarbij de klassieke filmauteurs uit het oog te verliezen uit het tijdperk van Jacob, of zelfs van daarvoor, zoals Abbas Kiarostami en Alain Resnais.

De geschiedenis van een institutie als Cannes kan een zware last zijn. Maar als geoefende judoka weet Frémaux dat een rechtstreekse confrontatie met de opgehoopte tradities geen zin heeft. Hij moet het gewicht van het festival zo gebruiken dat het als vanzelf zijn kant oprolt.