De Bovenbazen (11)

Hij begon opgewekt zijn geld op stapeltjes te leggen, maar na een poosje vond hij de aardigheid er af gaan.

‘Het leven is niet gemakkelijk,’ prevelde hij met een zucht. ‘Buiten schijnt de zon en zingen de vogels. Maar ik zit hier in de muffe duisternis te tellen. Wat vervelend is dat nu toch. En er is niemand die me helpt...’

Op dat moment stapte Tom Poes de kluis binnen. Hij baande zich rinkelend een weg door de muntstukken en stak fier een duit omhoog.

‘Hier is het,’ sprak hij. ‘Van de weddenschap, u weet wel.’

Ach, dat hoeft toch niet,’ zei heer Bommel afwerend. ‘Houd je je geld, jonge vriend. Voor mij speelt het geen rol – en die weddenschap was maar een lolletje. Bovendien maakt die duit het tellen nog moeilijker dan het al is.’

‘Maar het is een ereschuld,’ zei Tom Poes. ‘Eerlijk is eerlijk.’

‘Nou, vooruit,’ mompelde heer Bommel, die niet lomp wilde schijnen. Hij nam het muntje aan en wierp het achter zich op de grote hoop.

Nu gebeurde er echter iets vreemds. Door de nietige bijdrage van Tom Poes overschreed heer Ollies bezit plotseling de grens van het gewone.

Er sloeg een vonk uit de geldstapel en het metaal begon te knetteren.

‘W-wat is d-dat?’ stamelde de vermogende heer ontdaan.

Tom Poes kon hem niet inlichten, maar de kassier die niet ver vandaar achter zijn traliewerk zat, begreep direct wat er aan de hand was. Hij staarde opschrikkend naar een stapeltje bankbiljetten, dat zich plotseling in de lucht verhief en in de richting van de kluizen begon te fladderen.

‘Hela!’ murmelde hij getroffen. ‘Ergens vindt een kernfusie plaats. Er moet onmiddellijk worden ingegrepen!’