Bètafaculteiten A'dam samen tegen Oxford

De twee Amsterdamse universiteiten voegen hun bètafaculteiten samen. Dan kunnen ze betere concurreren met de internationale top.

„Nee, er komt geen volledige fusie.” Louise Gunning, de pas aangetreden voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam (UvA), wil het maar meteen gezegd hebben. Haar instelling gaat nauw samenwerken met de Vrije Universiteit (VU), maar tot een complete samensmelting komt het niet. „Daarvoor zijn we te groot en te verschillend.”

Vandaag maken Gunning en haar VU-collega René Smit bekend op welke terreinen de twee hoofdstedelijke universiteiten de handen ineen slaan. Het meest opvallende plan: de fusie van de bètafaculteiten van de UvA en de VU. Dat moet een faculteit opleveren met 9.000 studenten, 3.000 medewerkers en een jaarlijks budget van 250 miljoen euro.

Gaat u hiermee de concurrentie aan met de samenwerkende Zuid-Hollandse universiteiten Leiden, Delft en Rotterdam?

Gunning: „Het is niet zo interessant om het vanuit dat perspectief te bekijken. De wedstrijd wordt niet in Nederland gespeeld, maar op internationaal terrein. Deze nieuwe bètafaculteit wordt een van de grootste van Europa. Onze concurrenten worden instellingen als de universiteiten van Oxford en Cambrigde.”

Kan uw samenwerkingsverband die concurrentie financieel wel aan?

Smit: „De overheid zou extra geld beschikbaar moeten stellen voor het belonen van excellent onderzoek. Meer dan de middelen die staatssecretaris Zijlstra nu gereserveerd heeft voor de profileringsplannen van de universiteiten. Wij gaan ons onderzoek zo inrichten dat we een kwaliteitssprong kunnen maken. Als de politiek echt wil dat Nederland internationaal aan de top meedraait, dan moet er voldoende geld beschikbaar zijn.”

De VU moet de komende jaren 33 miljoen euro bezuinigen. Gaat dat wel samen met het opzetten van zo’n ambitieus project?

Smit: „Dat geld vinden we in de stroomlijning van de bedrijfsvoering. Onderwijs en onderzoek worden ontzien. Onze samenwerkingsplannen hebben hier geen last van.”

De bètafaculteiten fuseren niet om de kosten te drukken?

Gunning: „Het is niet ons primaire doel. We zijn nu juist bezig om te investeren in de samenwerking. Maar als uit de experimenten die we dit jaar gaan doen blijkt dat er ergens winst behaald kan worden, dan laten we dat geld natuurlijk niet liggen.”

Smit: „Alle vakken worden straks niet meer overal gegeven. Dat ligt voor de hand. Het opleidingenaanbod wordt samengevoegd en gestroomlijnd.”

Ziet u elkaar nog als concurrenten?

Gunning: „Jazeker.”

Smit: „Daar waar we niet besloten hebben tot samenwerking, zullen we elkaar beconcurreren. Dat geldt voor bijna al het bachelor-onderwijs.”

Gunning: „Wetenschappers zijn gewend aan deze situatie. Ze strijden met collega’s van andere universiteiten om onderzoeksubsidies, terwijl ze ook samen artikelen publiceren.”

Hoe denkt uw personeel over de samenwerkingsplannen?

Smit: „Maandag was ik bij een bijeenkomst van alle afdelingshoofden van de beide bètafaculteiten. Ik was blij verrast door de energie die ik daar aantrof. Dat we besloten hebben de grenzen opzij te schuiven, lijkt veel creativiteit los te maken. We hebben natuurlijk al ervaring opgedaan met de samenwerking tussen de beide academische ziekenhuizen.”

Betekent dit dat u verwacht dat alles probleemloos zal verlopen?

Gunning: „Vast niet. Er zijn honderden problemen. Hoe regelen we de medezeggenschap? Hoe zorgen we ervoor dat hoogleraren bij beide universiteiten promotierecht krijgen? Wat gaan we doen met de huisvesting? En waar bieden we welk vak aan? Je wilt natuurlijk niet dat een docent elke dag op zijn fiets de stad moet doorkruisen van werkcollege, naar hoorcollege, naar promotie. Er zal een flinke stoelendans gaan plaatsvinden in Amsterdam.”