Wat is uw impact, meneer Kant?

Wetenschappers liegen en masse in hun onderzoeksaanvragen. Zij moeten steeds vaker het nut van een toekomstig onderzoek kunnen aantonen, maar er is geen wetenschapper die van tevoren weet wat hij zal vinden.

‘Geachte heer Da Vinci,Namens de toelatingscommissie van Ludovico Sforza Court University mag ik u mededelen dat u op de shortlist geplaatst bent. Voor het vervolg van de procedure hebben we vóór morgen een lijst nodig van alle projecten die u de komende vijf jaar gaat uitvoeren, inclusief een overzicht van de tijdschriften waarin u de resultaten gaat publiceren en de manier waarop u ze verder aan het publiek bekend gaat maken. Besteed daarbij ook aandacht aan de manier waarop de zaken ten goede komen aan het Milanese bedrijfsleven. In het kader van uw plannen om een vliegmachine te bouwen, moet ik u erop wijzen dat eerder onderzoek reeds de onmogelijkheid van een dergelijk project heeft aangetoond, zodat u zich beter op een waarlijk innovatief project kunt concentreren.’

Was Leonardo een moderne Nederlander geweest, hij had waarschijnlijk een brief gekregen met deze strekking. Sinds 2007, toen ik in Leiden begon te werken, hebben Nederlandse wetenschappers, die toch al in een bureaucratisch systeem werken, steeds meer te maken gekregen met dit soort verzoeken – om gedetailleerde informatie over de tijdschriften waarin gepubliceerd gaat worden, de manier waarop de samenleving gaat profiteren van de uitkomsten van het onderzoek en hoe het bedrijfsleven er geld mee kan verdienen. Strikt genomen komt de academische vrijheid daarmee in het geding, maar dat schijnt de meeste deelnemers aan het systeem weinig te kunnen schelen.

Stel u voor: een briljante onderzoeker heeft een idee dat de hele moderne fysica op zijn kop kan zetten, maar ook kan eindigen in een zwart gat. Hoe kan ze de universiteiten en de subsidiegevers ervan overtuigen om daar eens een paar jaar lang goed over na te denken? Helpt het als ze cum laude gepromoveerd is bij een zeer prestigieuze universiteit? Als haar collega’s haar erkennen als een van de grootste geesten van onze tijd? Heel weinig. Wat ze echt zou moeten leveren, is de garantie dat wat ze ‘produceert’ ook nut zal hebben, en wel een nut dat van tevoren kan worden doorgemeten. Terwijl elders in de wereld miljarden worden geïnvesteerd in behoud van cultureel erfgoed dat gemaakt is door creatieve enkelingen, dreigt de Nederlandse wetenschap zo ten onder te gaan in het angstige verlangen om elke gril van het lot en van de menselijke geest te kunnen voorzien.

Een vraag die daarbij niet gesteld wordt: hoe kun je weten wat je gaat vinden als je nooit zoekt? Hoe weet je hoeveel paddestoelen je gaat vinden voordat je het bos inloopt en rondkijkt? Je kunt misschien vermoeden dat er op bepaalde plekken paddestoelen staan, maar nooit weten of dat er 5 zijn, of 25, of 225, en al helemaal niet dat ze allemaal van ‘excellent’ niveau zullen zijn.

Een consequentie van deze manier van doen is dat het verschil tussen onderzoekers en technici verdwijnt. Technici stellen zich ten doel een bepaald apparaat te ontwikkelen: ze weten tevoren vaak precies wat de specificaties van dat apparaat zijn en proberen het dan zo goed mogelijk te maken. Onderzoekers zijn geen technici, maar creëren nieuwe ideeën. En dus moet onze briljante natuurkundige om haar formulier juist te kunnen invullen liegen: getallen verzinnen, mogelijke uitkomsten bij elkaar fantaseren, van alles beweren over impact, bruikbaarheid, nuttigheid, gebaseerd op eerdere ervaringen en eerder onderzoek. Pas wanneer het geld binnen is, kan ze al die leugens vergeten en een paar jaar werken met haar intuïties.

Alle (ja, alle) onderzoekers met ambitie in Nederland worden gedwongen om dit leugenachtige pad op te gaan: ideeën zijn niet genoeg, de uitkomst moet controleerbaar zijn. Als het niet in het vooropgezette schema past, is het geen goed idee.

Datzelfde systeem van alles kapot controleren dringt ook door in het hoger onderwijs: alles moet kwantificeerbaar en controleerbaar zijn – alles moet aan de schijn van uniformiteit voldoen. In de ideale wereld van de universiteitsbestuurder moet iedere docent dezelfde twee of drie vakken doceren, allemaal op dezelfde manier, met dezelfde examens: wat maakt het uit dat de studenten steeds anders zijn? Ook hiervoor geldt weer: het menselijke staat alleen maar in de weg. De vooruitgang zit voor de bestuurder in het voorspelbare.

Controleerbaarheid en uniformiteit: briljante studenten raken verveeld en trekken weg naar het buitenland; briljante onderzoekers worden technici. Er komt toch geen nieuwe Leonardo of Lorentz – de statistische kans daarop is immers zeer gering – dus neemt men liever geen enkel risico en geeft de voorkeur aan keurige, van tevoren te verwachten resultaten.

‘Geachte professor Kant,

Ik schrijf namens de beleidscommissie onderzoek van de Universiteit van Königsberg om uw aandacht te vestigen op het feit dat u de afgelopen vijf jaar niet hebt meegedongen in de competitie om externe financiering. We dringen erop aan dat u uw publicaties probeert binnen de omvangsbeperkingen te houden die A-tijdschriften hanteren (maximaal 35 pagina’s). Houd alstublieft in gedachten dat u door terminologie te gebruiken als ‘categorische imperatief’ en ‘zuivere rede’ maatschappelijke partijen van u kunt vervreemden. Voorts is de commissie van mening dat u er goed aan zou doen om een experimenteel deel aan uw onderzoek toe te voegen; dit zou de soliditeit van uw bevindingen ten goede komen. Ten overvloede wijzen wij erop dat het verplicht is om aan uw voorstel een appendix te bevestigen waarin u aangeeft hoe uw onderzoek ten goede komt aan de ‘topsectoren’ van de Pruisische industrie.’