Waarom we de dood moeten vrezen

In deze week van Hemel- vaart zijn gedachten over de dood niet ver weg. Denken we inmiddels niet te nuchter en te zakelijk over het levenseinde, vraagt Sjoerd de Jong zich af.

De grijze dame was de zoveelste oudere die in een praatprogramma haar doodswens uitte. Aanleiding was de Levenseindekliniek, een initiatief om patiënten met een euthanasiewens die niet werd gehonoreerd, alsnog te helpen. Binnen de wet.

Maar de discussie waaierde al snel uit naar de wens om iedereen die ‘uitgeleefd’ is naar het einde te helpen. Een mens mag dat toch zelf bepalen? Artsen moeten zich kunnen ‘inleven’ in die wens. En vooral niet in de weg gaan staan.

Met al die vastberaden doodspraat lijkt Nederland een nieuwe culturele fase in te gaan. Na de acceptatie van euthanasie doemt een nieuwe grens op: hulp bij zelfdoding van mensen die het leven moe zijn. Het is gewoon op, zeggen ze.

Het gevolg is frappant: de dood wordt overal en openlijk besproken, bijna even nuchter en zakelijk als een herschikking van het basispakket. In deze krant praten wekelijks terminale patiënten over het naderende einde.

Goed, de dood wordt tenminste niet langer ‘weggestopt’. Maar zoals de man op de Titanic zei die om ijs in zijn whisky vroeg: „Dit is een tikje veel.”

Want het gaat allang niet meer alleen om euthanasie, maar om de vraag hoe we tegen leven en dood aankijken. Wat betekent de dood in het moderne leven?

De filosoof Heidegger zei het zo: de dood is de uiterste individuele mogelijkheid van een mens, die hij niet moet wegpraten of ontkennen, maar ‘op zich moet nemen’. Je dood is, meer dan iets anders, van jou alleen.

Dat is geen westers idee. Neem dit doods-gedicht van de Japanse dichter Tomoda Kimpei: ‘Toen ik leefde was ik/ een van de bekendste bloemen/ toch, verwelkt/ ben ik vast en zeker’

Maar Heidegger en de Japanse dichter zouden in het moderne enthousiasme voor de dood vermoedelijk óók een vorm van wegstoppen en ontlopen zien, een poging om de dood te domesticeren als een persoonlijk gebruiksartikel. Want je dood mag dan van jou alleen zijn, dat wil niet zeggen dat je hem naar eigen wens kunt gebruiken. Zoals een andere filosoof, Wittgenstein, zei: „De dood is geen gebeurtenis in mijn leven. Hij maakt daar juist een einde aan.”

Smeltende sneeuw

Japan kent een lange traditie van doodspoëzie, door Zen-monniken en anderen (te vinden in de Japanse Death Poems van Yoell Hoffmann). Uit die gedichten spreekt een serene en nuchtere benadering van leven en dood, soms met een hint van melancholie, zoals bij de haiku-dichter Nandai: ‘Altijd al/ kennenalleen de doden rust/ leven is smeltende sneeuw’

Of met zelfspot, bijvoorbeeld die van Morikawa Kyoriku: ‘Ik dacht altijd/ dat de dood iets was/ voor mensen zonder talent/ als ook zij met talent/ moeten sterven/ maken ze toch wel/ betere mest?’

In die gedichten zie je geen spoor van de christelijke worsteling met de dood. Maar ook niet van de krampachtige blijmoedigheid die het ‘zelf kiezen’ tegenwoordig begeleidt. Trouwens, het gaat er in het boeddhisme om te ontsnappen aan de kringloop van geboorte én dood. De dood zelf brengt helemaal geen verlossing.

Op het eerste gezicht is dit een verschil tussen morele autonomie of heteronomie. Bepaalt een mens autonoom zijn eigen regels, of is hij heteronoom: onder ‘wetten’ gesteld die hij zelf niet heeft gemaakt? Dan zou je zeggen dat het moderne Nederland gedrenkt is in een autonoom mensbeeld, terwijl Heidegger en de Japanse dichters uitgaan van een eerder tragisch, heteronoom idee.

Maar zo simpel is het niet. Want wanneer ben je autonoom?

Volgens Heidegger leef je pas authentiek, of „eigenlijk”, wanneer je je lot op je neemt en niet probeert te manipuleren. Wie zijn eindigheid tot zich laat doordringen, laat de angst voor het Niets toe, dus voor de dood, een angst die hij moet „uithouden”. Alleen dan is het mogelijk eigenlijk, in de zin van authentiek, te leven.

Dat ‘eigenlijke’ leven betekent niet: alles eruit halen wat er in zit, live life to the max. Zulke amechtige beeldspraak maakt van het leven een achtbaan van topervaringen en maximaal profijt, volgens Heidegger eerder een teken van weglopen voor de dood. Geen rendement meer te verwachten? Dan maar een pil.

Vandaar dat prudente ethici euthanasie wel gerechtvaardigd vinden om het lijden van terminale patiënten te beëindigen, maar tegen een algemeen ‘recht om te sterven’ zijn dat door artsen moet worden gefaciliteerd: de dood op afroep. Dat kan bovendien leiden tot sociale druk op zieken en ouden om hun omgeving niet langer tot last te zijn en er eindelijk eens ‘uit te stappen’. Dus juist tot meer heteronomie.

Achter die pirouette van autonomie en heteronomie schuilt nog een vraag: wat is de dood voor ons? Een natuurverschijnsel dat – net als de rest van de natuur – technisch kan worden gemanipuleerd? En is doodgaan dan dus ook niet ‘erg’ meer?

De laatste vijand

In het christendom gold de dood helemaal niet als natuurlijk, maar als „de laatste vijand”, een kwaad dat eigenlijk geen plaats heeft in de Schepping (die is immers goed). De dood accepteren als ‘natuurlijk’ was iets voor heidenen. Doodsangst is dan ook een normale, zelfs juiste emotie. Tegelijkertijd is de dood voor christenen natuurlijk een oproep – een wake-up call in modern Nederlands – aan mensen om zich te bekeren tot Christus, die de dood met zijn zelfopoffering immers heeft overwonnen.

Dat traditionele, christelijke beeld van de dood heeft inmiddels allang plaatsgemaakt voor het moderne levensgevoel, de overtuiging dat de wereld maakbaar is en dat rationele individuen over hun lot moeten kunnen beschikken, inclusief hun dood.

Zo is de omarming van de dood een volgende stap in de secularisatie van een samenleving die voor het overige er juist alles aan doet de dood zo lang mogelijk buiten de deur te houden: we worden niet voor niets ouder dan ooit tevoren. Vinden we de dood misschien toch niet zo natuurlijk als we zeggen?

De dood blijft ons verdelen, ook in een postchristelijke cultuur. Thomas Nagel geeft in The View From Nowhere een mooie, seculiere analyse van zijn eigen afkeer van de dood: die is volkomen menselijk, omdat de dood een einde maakt aan het ‘ik’, het subjectieve perspectief. Je kunt je wel een objectieve wereld voorstellen zonder jezelf erin, maar niet een subjectieve – want jij bent het die je die wereld voorstelt. En juist dat verdwijnt met de dood – een verbijsterend, en ellendig, vooruitzicht, vindt Nagel.

We blijven onszelf en onze ervaringen managen, manipuleren en reguleren, tot de laatste snik en met inzet van alle middelen. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger. Het leven laat zich niet integreren, en de dood ook niet.

Zoals de dichter Toko schreef: ‘Doods-gedichten/ zijn ook maar illusie/ dood is dood’

Sjoerd de Jong is NRC-redacteur