Lage rente creëert unieke kansen

Speculaties over het vertrek van Griekenland uit de Eurozone leiden tot historisch lage rentes in Duitsland en Nederland. Internationale beleggers struikelen bijna over elkaar om Nederlandse staatsobligaties te kopen. Mooi voor ons. Hoe kan minister Jan Kees de Jager van Financiën hiervan profiteren?

Elke huisvrouw (m/v) weet ’t: als de prijs laag is, en je hebt de spullen nodig, moet je zoveel mogelijk kopen. Noem het hebberig, noem het zekerheid zoeken, noem het hamsteren.

Het credo van de huisvrouw is nu de kans voor minister van Financiën Jan Kees de Jager (CDA). Hij doet niet mee aan de verkiezing van de lijsttrekker van het CDA, die straks wellicht mede de toekomst van Nederland kan bepalen. De Jager kan dat nu al doen, als hij zijn ambtenaren én zijn collega’s in het kabinet weet te overtuigen van een vernieuwend financierings- en groeiplan voor Nederland.

Internationale beleggers zijn zo bang voor het vertrek van Griekenland uit de eurozone en de verpulvering van Brusselse begrotingsafspraken dat zij gretig graaien naar staatsobligaties van veilige landen: Duitsland, Zwitserland, Nederland. Zij kopen de obligaties, de koers gaat omhoog en dan beweegt de rente zich precies in omgekeerde richting: omlaag. Het effectief rendement op de tienjarige Nederlandse staatslening dook gisteren onder de 2 procent, een historisch laag niveau.

Als het geld dat je nodig hebt, zo weinig kost moet je veel lenen, dat is de eerste stap. Nederland heeft een begrotingstekort, dus geld nodig, dus komt de lage rente ons goed uit.

Maar Nederland kan meer. Laten we ter inspiratie even naar de Britten kijken, die er in meerdere opzichten economisch aanzienlijk slechter voor staan dan wij. Maar de Britten hebben één ding met ons gemeen: een lage rente op hun staatsleningen. De Britten overwegen extra profijt te trekken van die lage rente door obligaties uit te geven met een, naar de huidige begrippen, extreem lange looptijd. Vijftig jaar of meer. Wellicht zelfs honderd jaar. Dat is een categorie leningen die sinds de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) niet meer is gezien.

Het voordeel voor de overheid is duidelijk: de zekerheid van een lage rente tot minimaal het jaar 2062. Maar de vraag is of die paar procent rente voor zo’n lange periode ook voor de geldschieters aantrekkelijk genoeg is. Daarom moet De Jager er nog iets extra’s bij doen. Hij moet de rente op langlopende obligaties van bijvoorbeeld 100 jaar koppelen aan de inflatie. Is de geldontwaarding relatief laag, zoals nu, dan is de rente ook laag. Is de inflatie hoog, bijvoorbeeld omdat de werkgevers, zoals de overheid, akkoord gaan met vette looneisen van de vakbonden, dan stijgt de rente mee.

De Nederlandse pensioenfondsen zitten te springen om zulke leningen, die in het jargon index-obligaties heten omdat de rente gekoppeld is aan de prijsindex. De fondsen proberen de pensioenen jaarlijks te verhogen met de inflatie, zodat de koopkracht van de beloofde uitkeringen in stand blijft. Met deze index-obligaties kan dat. Maar Nederlandse pensioenfondsen die zulke index-obligaties willen kopen, moeten in Duitsland, in Frankrijk of zelfs in de VS winkelen. Nederland wil ze niet uitgeven. Zo doet Nederland zichzelf te kort: er is vraag van beleggers, maar de overheid wil hun geld niet. Het nadeel van die buitenlandse index-obligaties: zij zijn niet gekoppeld aan de Nederlandse inflatie, maar aan buitenlandse.

Het ministerie van Financiën is traditioneel bang voor het open-einde karakter van de verplichting. Als de inflatie uit de hand loopt, betaalt de overheid zich blauw aan rente. Je kunt de redenering ook omdraaien: samen met de Europese Centrale Bank moet de overheid alles doen om dat te voorkomen. En de index-obligaties geven de overheid ook een concreet eigen belang om niet te verslappen.

Deze leningen passen daarom prima in het overheidsbeleid voor sterke en duurzame pensioenfondsen.

Maar met het buitenkansje van de lage rente kan Nederland nog iets extra’s doen. Het kabinet kan in één klap bijvoorbeeld 5 miljard extra lenen en het geld bestemmen voor een bescheiden, maar gericht investeringsprogramma dat de economische groei stimuleert. Dus niet: salarissen in de publieke sector betalen. Maar: de productieve infrastructuur steunen, bij voorkeur samen met een vergelijkbare injectie van burgers en bedrijven. Voor energiebesparing. Voor verbeterde fysieke netwerken. Voor een impuls voor onderzoek en ontwikkeling.

Op deze manier komt een groter deel van het kapitaal in de Nederlandse pensioenpotten ook werkelijk terecht in de Nederlandse economie. In het gesneefde Catshuis-akkoord namen de VVD en CDA-onderhandelaars letterlijk op: „Met pensioenfondsen worden afspraken gemaakt over investeren in de Nederlandse economie.”

Zo snijdt het mes aan alle kanten. Voor de belastingbetaler: extreem lage rente op staatsschuld. Voor de (toekomstige) gepensioneerde; meer kans op een waardevast pensioen. Voor de werknemers: meer kans op economische groei. Voor De Jager en zijn opvolgers: lage rentekosten, meer groei, hogere belastingontvangsten.

Menno Tamminga