‘Kalm aan met antistolling’

Bij de nieuwste generatie antistollingsmiddelen is periodieke controle op de dosering overbodig. Maar Nederlandse patiënten zijn gewend aan begeleiding.

De overstap naar een nieuwe generatie antistollingsmiddelen moet behoedzaam worden gemaakt. Dat adviseert de Gezondheidsraad vandaag in een rapport aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De nieuwe antistollingsmiddelen, waarvan enkele al een paar jaar op de markt zijn en waarvan er meer in aantocht zijn, hebben als voordeel dat de dosis niet telkens nauwkeurig hoeft te worden ingesteld.

„Een heel belangrijke innovatie ten opzichte van de oude vitamine K-remmers”, zegt de Amsterdamse emeritus hoogleraar interne geneeskunde Ernest Briët, voorzitter van de adviescommissie, aan de telefoon. Daarover werd altijd „gezucht en gesteund”, zegt Briët, want patiënten die zulke bloedverdunners kregen en krijgen, moesten iedere zoveel weken hun bloed laten testen bij de trombosedienst om te bekijken of zij nog steeds de juiste dosis van de middelen kregen. „Dat was omslachtig en tijdrovend”, zegt Briët, „Met de nieuwe middelen is dat allemaal niet meer nodig.”

Meteen overgaan op de nieuwe middelen zou het einde betekenen van de Nederlandse trombosediensten, een stelsel waar volgens Briët „diverse buitenlanden jaloers op zijn”. Hierdoor krijgen trombosepatiënten haast nergens zo’n goede begeleiding als in Nederland. De antistolling is heel precies ingesteld en mensen nemen heel trouw hun medicijnen in, wat ertoe leidt dat er relatief weinig complicaties voorkomen en ziekenhuisopnames nodig zijn.

De nieuwe middelen zijn bovendien duurder dan de oude, ook als de kosten voor het in stand houden van de trombosediensten worden meegenomen. Per gewonnen levensjaar zouden de kosten per patiënt met nieuwe middelen 12.000 euro hoger uitkomen, berekende de commissie. Maar dan nog is deze behandeling zeer veel kosteneffectiever dan niet behandelen, wat leidt tot extra ziekenhuisopnames en sterfte.

Uit klinische proeven blijkt dat de nieuwe middelen iets effectiever zijn tegen trombose en embolieën, en mogelijk minder kans geven op hersenbloedingen. Maar die resultaten zijn niet zonder meer naar de Nederlandse situatie te vertalen, wegens de sterke organisatie met trombosediensten.

De commissie onder leiding van Briët adviseert daarom om een „kort en heftig” onderzoek te doen naar de invoering van deze middelen in de Nederlandse situatie, om te kijken hoe de effectiviteit en veiligheid van deze middelen uitpakt in de Nederlandse situatie. „Over een jaar of twee zouden we dan duidelijkheid hebben of de nieuwe antistollingsmiddelen te verkiezen zijn boven de oude”, zegt Briët. Op dit moment worden de nieuwe middelen in Nederland alleen nog vergoed als nabehandeling van mensen die een heup- of knie-operatie hebben ondergaan.