De kosten van claims

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: wanbeleid.

Met enige regelmaat stelt de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam wanbeleid door bestuurders van ondernemingen vast. Aandeelhouders of vakbonden kunnen daar een enquêteprocedure vragen, waarin het gevoerde beleid door de raad van bestuur van een onderneming, of het toezicht daarop, onderzocht wordt. De bevoegdheden van de Ondernemingskamer zijn groot, net als de reputatieschade voor betrokken bestuurders als zij wanbeleid vaststelt.

Vorige maand oordeelde de Ondernemingskamer dat de voormalige Belgisch-Nederlandse bankverzekeraar Fortis, voorafgaand aan zijn ondergang vijf jaar geleden op vele fronten wanbeleid had gevoerd. Het concern was ernstig tekortgeschoten, gaf misleidende informatie en handelde veelvuldig „in strijd met de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap”. Ageas, de opvolger van Fortis, gaat in broep.

Twee jaar geleden oordeelde de Ondernemerskamer hard over het gevoerde beleid bij het toenmalige mediaconcern PcM. De raad van bestuur en de raad van commissarissen hadden zich van 2004 tot en met 2007 schuldig gemaakt aan wanbeleid. De strategie had gefaald en het toezicht was onvoldoende geweest. Een schoolvoorbeeld van „onverantwoord ondernemerschap”.

De afgelopen jaren kwamen tal van bedrijven in het nieuws wegens wanbeleid, veelal in combinatie met gebrekkig toezicht: woningcorporaties en financiële- of zorginstellingen. Vaak moest de overheid financieel bijspringen om faillissement of maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Maar na vaststelling van wanbeleid komt het zelden voor dat bestuurders of toezichthouders aansprakelijk worden gesteld, ofschoon de wet die mogelijkheid wel biedt.

Tot onvrede van de Tweede Kamer lijken aandeelhouders, toezichthouders of bonden nauwelijks gebruik te maken van de mogelijkheid om bestuurders of toezichthouders aansprakelijk te stellen. Het lukt bestuurders om zich, na vastgesteld wanbeleid, met een vertrekpremie uit de voeten te maken. Ze komen met de schrik vrij, is de beeldvorming.

Maar klopt dat beeld ook? Vorige week publiceerde het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie onderzoek naar de vraag hoe bedrijven intern omgaan met de vraag hoe falende bestuurders en toezichthouders moeten worden aangepakt.

In het onderzoek werd de besluitvorming daarover bij elf ondernemingen in kaart gebracht. Vijf ondernemingen waren zodanig in de financiële problemen gekomen dat ze niet meer zelfstandig konden voortbestaan. Een bedrijf had onderdelen failliet zien gaan.

Vijf ondernemingen hadden afgezien van een aansprakelijkheidsprocedure, zes niet. Van die zes ondernemingen wonnen er vier de procedure. Eén zaak eindigde in een schikking en in één zaak werd de claim niet gehonoreerd.

Een belangrijke reden om niet te procederen, zijn de kosten. Bij vier van de elf ondernemingen moest minstens één miljoen euro worden uitgetrokken voor onderzoek en proceskosten. Twee ondernemingen deden uiteindelijk zelfs aangifte bij het openbaar ministerie zodat ze de kosten van onderzoek niet hoefden te betalen.

Dan is er nog de reputatieschade en de publiciteit die met zo’n procedure gepaard kan gaan. Toezichthouders zijn er beducht voor in de vuurlinie terecht te komen. Want wie een bestuurder aansprakelijk stelt voor wanbestuur, geef zichzelf als toezichthouder ook een brevet van onvermogen. „Als je aanvalt, gaat hij terugslaan”, luidt dan de redenering.

De meest genoemde reden om niet naar de rechter te stappen is dat nieuwe bestuurders niet geassocieerd willen worden met het verleden. Drie onderzochte bedrijven hadden de problemen als gevolg van wanbeleid niet overleefd, werden overgenomen en moesten hun activiteiten onder andere naam voortzetten. Een civiele actie zou die bedrijven niets hebben opgeleverd, was de redenering.

Kosten en baten van een gang naar de rechter worden van geval tot geval gewogen. Maar ervan afzien betekent niet dat falende bestuurders of toezichthouders de hand boven het hoofd wordt gehouden, concludeert het WODC. Veel bestuurders kwamen na ontslag niet meer aan het werk. Drie bestuurders raakten hun huis kwijt, twee weken uit naar het buitenland.

Jos Verlaan

Tips? Mail naar ecorecht@nrc.nl