De Bovenbazen

‘U hebt de weddenschap gewonnen,’ gaf Tom Poes toe. ‘U krijgt een duit van me!’ En hij holde weg om het geld te gaan halen.

‘Zo is de jonge vriend nu,’ sprak heer Bommel glimlachend. ‘Door en door eerlijk; zelfs als het om een duit gaat. Ik sta daar anders tegenover; voor mij speelt geld geen rol.’

‘Meneer schertst zeker,’ zei de kassier onaangenaam getroffen. ‘U komt toch naar uw kluis kijken? Deze kant op, meneer Bommel; aan het eind van deze gang.’

‘Ik kom hier voor de belastingen,’ hernam heer Ollie. ‘Die willen nu eenmaal precies weten, wat ik heb. Ik niet, hoor. Als er maar genoeg is, kan het mij niet schelen.’

Hij zweeg even en er verscheen een nadenkend trekje op zijn gelaat.

‘Die aws,’ vervolgde hij, ‘die Amos Steenhakker, hè? Heeft die meer dan ik?’

‘Zeker!’ bevestigde de kassier. ‘Amos W. Steinhacker behoort tot de lieden, die Alles bezitten. Nagenoeg alles, meneer Bommel. Door middel van fusies, voelt u wel? Veel is er voor anderen niet over!’

‘Wat een onzin,’ zei heer Ollie een weinig geprikkeld. ‘Hoe is dat nu mogelijk?’

De bankbeambte wilde uitleg geven, doch na een blik op zijn klant liet hij dit plan varen.

‘Ach, het is een ingewikkelde materie,’ mompelde hij. ‘We zijn er; dit is uw kluis, meneer Bommel.’

Heer Ollie liet het oog door de ruimte dwalen en zijn trekken klaarden op. ‘Ziet u dat het onzin is?’ vroeg hij. ‘Ik heb hier nog genoeg!’