Bij aboriginals loopt toerist heilig graf plat

De aboriginals zijn niet dol op toeristen die op hun heiligdommen klauteren. Nu krijgen ze een deel van de entree tot de parken en besturen ze mee.

Melvin Captein

Uluru or the 'Great Pebble', a sandstone rock in the Great Victoria Desert, which is a spiritual site to Indigenous Aboriginals and a UNESCO World Heritage Site. (158) Georg Gerster

‘Hoe het voor mij voelt als je Uluru beklimt? Alsof je op het graf van mijn voorouders danst.” Winston Green, kind van een aboriginal moeder en een Engelse vader, veegt het zweet van zijn voorhoofd. Het is 41 graden in Uluru-Kata Tjuta National Park, het populairste natuurgebied van Australië. Voor hem gloort Uluru, de wereldberoemde rode rotsformatie die jaarlijks meer dan 400.000 toeristen verleidt een onherbergzame route door de outback te trotseren. Het beklimmen van de kolos is een populaire bezigheid onder backpackers. „Maar het is respectloos”, zegt de gids in opleiding. „Voor aboriginals is dit een heilige plek. Het doet ons pijn als daar iemand op klautert.”

Green staat niet alleen. De statige steenpartij Uluru, in de volksmond Ayers Rock, staat symbool voor een discussie die alle nationale parken beheerst. Hoe kunnen toeristen genieten van het mooiste natuurschoon van Australië zonder de oorspronkelijke bewoners te beledigen?

Dat dit onderwerp sinds een aantal jaar op de kaart staat, is, gezien de Australische geschiedenis, al heel wat. Er was vaak weinig aandacht voor de inheemse bevolking, die al meer dan 10.000 jaar de natuurgebieden als haar spirituele thuishaven beschouwt. Vanaf de jaren veertig moesten aboriginals toezien hoe de overheid grote leefgebieden als Uluru en Kakadu omtoverde tot nationale parken, compleet met motels, asfaltwegen en vliegvelden. Rituelen als begrafenissen en godenvereringen konden hierdoor niet langer op hun eigen gebied plaatsvinden en massa’s toeristen liepen langs, op en over de meest heilige plaatsen.

Die tijd is inmiddels voorbij. In 1976 stelde de Aboriginals Land Rights Act oorspronkelijke eigenaren in staat hun grond te claimen. De overheid gaf zowel Kakadu als Uluru terug aan de inheemse bewoners, op voorwaarde dat het land voor 99 jaar mocht worden teruggehuurd. Op die manier blijven de parken toegankelijk voor publiek.

Dat lijkt een redelijke constructie. Maar wat zien de oudste bewoners van Australië hier nou eigenlijk in de praktijk van terug?

Rick Murray, bestuurslid toerisme van Kakadu National Park, legt uit dat per jaar 25 tot 40 procent van het entreegeld naar de oorspronkelijke bewoners gaat. Voor Kakadu en Uluru samen gaat dit om 3 miljoen Australische dollar, zo’n 2,5 miljoen euro. Murray: „Maar het is niet zo dat de lokettist een enorm pak biljetten bezorgt bij een handjevol oorspronkelijke eigenaren. Het geld gaat naar inheemse corporaties die zorgen dat het geld constructief besteed wordt. Ze investeren het in bezoekersaccommodaties of steunen inheemsen wanneer die hun eigen tour willen opzetten.”

Behalve het entreegeld krijgt de inheemse bevolking ook geld uit het delven van grondstoffen. Van de inkomsten uit Kakadu’s uraniumwinning wordt 40 procent door de Central Land Council in een fonds gestopt. Daar kunnen inheemse bewoners met goede plannen een beroep op doen, om bijvoorbeeld hun afgelegen gemeenschappen te voorzien van betere vervoermiddelen, van wegen of medische zorg.

Uluru en Kakadu worden nu door blanke Australiërs én aboriginals bestuurd. Dit zorgt ervoor dat inheemsen eindelijk wat te zeggen hebben over de manier waarop hun land wordt onderhouden en waar de toeristen mogen komen.

De laatste twintig jaar heeft dit tot allerlei veranderingen geleid. Zo is er een ‘ranger programma’ waarin jonge aboriginals worden opgeleid tot parkwachter. Plekken die voor de aboriginals een bijzondere spirituele betekenis hebben, worden afgeschermd van publiek. Ook wordt de kennis van de oorspronkelijke bewoners gebruikt bij het onderhouden van het terrein. Murray: „Zij kennen het land, weten hoe ze het vitaal en schoon moeten houden, hoe ze bosbranden kunnen voorkomen. Die duizenden jaren veldervaring worden gebundeld met moderne wetenschap.”

Parkgids Dylan Isles heeft met eigen ogen gezien hoe de samenwerking het toerisme in Uluru heeft veranderd. Paden lopen minder dicht langs de heilige plekken en er is beter aangegeven wat wel en niet gefotografeerd mag worden. Een goede zaak, zegt hij. „Sommige plaatsen hebben een onbeschrijfelijke waarde voor de Anangu, de lokale inheemsen. Als je daar foto’s van maakt, hebben ze het gevoel dat je ze berooft van een stukje heiligdom.”

Eén ding is nog niet veranderd. Het beklimmen van Uluru is nog steeds niet verboden. Via een cultureel centrum wordt wel een moreel beroep gedaan op de bezoekers om de rotspartij niet te beklimmen. De halve maatregel werkt: in twintig jaar tijd daalde het aantal klimmende bezoekers van driekwart naar eenderde. Maar wie écht wil, mag nog steeds naar boven. Murray legt uit dat het bestuur in een spagaat zit. Het sluiten van die route zou veel Australiërs in het verkeerde keelgat schieten. „Zij zien Ayers Rock als een Australisch icoon in een Australisch park. Ze voelen dat het hun geboorterecht is om daarmee te doen wat ze willen. De Anangu zijn te beleefd om hun dat geheel te ontzeggen.”

Hoewel Australië geleerd lijkt te hebben van de slordige omgang met haar oerbewoners is er zeker nog ruimte voor verbetering. Veel aboriginals, vooral in de grote steden, leven onder beroerde omstandigheden. Ze zijn arm en werkloos en hebben moeite aansluiting te vinden in de maatschappij. Volgens Murray is de samenwerking in de nationale parken een stap in de goede richting. Aboriginals en blanken móeten samenwerken, er is meer respect voor de heiligdommen en het park geef aboriginals werk. Murray: „Een cultuur is dynamisch, geen museumstuk. We groeien langzaam naar elkaar toe, maar verschillen van inzicht zullen er altijd blijven. Dat is ook gewoon onderdeel van de Australische cultuur.”