Wie denkt alles te begrijpen snapt niks

Peter Terrin toont in zijn nieuwe roman Post Mortem hoe tevergeefs de verbeelding is als het menens wordt.

Arjen Fortuin

Literair redacteur

Hoe is het mogelijk dat mensen niet zien waar mijn boek over gaat, vraagt hoofdpersoon Emiel Steegman zich af in Post Mortem, de nieuwe roman van Peter Terrin. Op Steegmans boekpresentatie houdt een hoogleraar een toespraak over diens roman. De hooggeleerde analyse gaat volgens de auteur voorbij gaat aan de kern van het boek; alleen het decor komt aan de orde. In de woorden van Steegman: ‘briljante wolkjes tegen een blauwe hemel boven een kruisafneming’. Later preciseert hij dat: er werd ‘nauwelijks nog een woord’ gewijd aan de hoofdpersoon en zijn dochter. En hij verzucht nog maar eens: ‘Witte wolken’.

Het is moeilijk die passage niet als een vingerwijzing te zien. Wij, de lezers, moeten kijken naar de kruisafneming en ons niet veel gelegen laten liggen aan de achtergrond. Wat de kruisafneming in Post Mortem is, is bovendien kraakhelder: de ziekte van Renée, het bijna vierjarige dochtertje van Emiel Steegman. Die openbaart zich op een stralende zomerdag als het meisje opgehaald moet worden van de verjaardag van een vriendinnetje. Steegman gaat onderweg in de auto, in gedachten berekenend of hij tijdig terug zal zijn om de finish van de Touretappe van die dag (de renners zijn onverwacht geconfronteerd met tegenwind) live op tv te kunnen zien. Wanneer hij aankomt, ligt ze te slapen. Dat is gek, want Renée slaapt al een jaar niet meer ’s middags.

Volgt een schitterende scène, waarin Steegman steeds bezorgder wordt, terwijl de andere volwassen verjaardagsgasten zich pantseren met clichés als ‘Wanneer een kind wil slapen, slaapt het’. De groep vormt de buitenwereld zoals we die kennen uit de eerdere indrukwekkende romans van Terrin, zoals Blanco en De bewaker: die is hard, koud en onverschillig. Pas als Renées moeder arriveert wordt de tocht naar het ziekenhuis ondernomen, waar blijkt dat het kind een herseninfarct heeft gehad. Renée verkeert in acuut levensgevaar.

Het middendeel van de roman is gewijd aan het ziekenhuisverblijf van het meisje, gedetailleerd, sober en aangrijpend opgeschreven, waarin het doet denken aan Het lot valt altijd op Jona van Mark Boog of Geen nacht zonder van Aleid Truijens – ook doordat het niet slecht afloopt, trouwens. Mooi beschrijft Terrin hoe Steegman – u bent schrijver immers? – door een verpleegkundige wordt aangespoord om zijn typmachine te gebruiken aan het bed van zijn comateuze dochter. Het geluid zou haar vertrouwd kunnen voorkomen.

Of hoe Steegman uitdrukt wat er met hem gebeurt als hij voor het eerst in lange tijd heeft gehuild: ‘Dit huilen is niet zonder gevaar […] er is iets geknakt. – Nee, verkeerde woord, het cliché past niet. Losgeraakt, er is iets op drift geraakt. Het zwerft door mijn romp, het is fysiek. Ik zou niet kunnen aanduiden waar het ooit thuishoorde. Het zit steeds op de verkeerde plek.’

Prachtig – en het laat zich raden dat dit thema niet door Terrin is uitgezocht, maar dat hij door het thema is uitgezocht; Post Mortem heeft een autobiografische inslag.

Maar met een tranentrekkend persoonlijk relaas wilde Terrin geen genoegen nemen. Geheel naar de wens van de Librisjury, die plat-autobiografische romans hekelde en pleitte voor boeken die op zoek gaan naar de grenzen van het genre, heeft Terrin het verhaal van Renée verpakt in een even fascinerend als onnavolgbaar geheel dat draait om de verhouding tussen feit en fictie.

Het begin daarvan, ook het begin van de roman, is nog eenvoudig na te vertellen: Steegman krijgt een uitnodiging voor een op het oog vervelende bijeenkomst met een Estse schrijver, even onbekend als Steegman zelf. Hij besluit zich af te melden met een smoesje: ‘Wegens nogal moeilijke tijden in de familie.’ Met Renée is dan nog niets aan de hand, al voel je dat Steegman met dit zinnetje iets over zichzelf afroept. Een roman is nu eenmaal een roman.

Er zijn meer metaliteraire zaken aan de orde, want Steegman is ook een boek aan het schrijven, en daarmee wordt de roman rap gecompliceerder. Hij schrijft een roman over T, een succesvolle schrijver. T is een uitvergroting van Steegman zelf, en bij alles wat Steegman meemaakt, vertaalt hij de gebeurtenissen naar hoe die zouden zijn in het bestaan van T.

Daarmee zijn we nog niet klaar, want Terrin sleept ons langs alle hoeken van zijn spiegelpaleis. In het derde deel van de roman probeert een biograaf de gangen van Steegman na te gaan. Dat is pikant, want inmiddels is Steegman in opspraak geraakt omdat een moord die in zijn roman over T voorkomt in het echt ook heeft plaatsgevonden.

De werkelijkheid lijkt zich naar de fictie te voegen. Er volgt zelfs een proces, iets wat weer niet los gezien kan worden van de naam van de hoofdpersoon van Post Mortem. Immers: Steegman verschilt maar één letter van Stegman, de held uit W.F. Hermans Ik heb altijd gelijk, voor wiens woorden Hermans zich bij de rechter moest verantwoorden. Dat proces ging precies om de vraag hoe lang fictie nog fictie is. Terrin heeft de roman een motto van Hermans gegeven: ‘We zijn niet wie we zijn, we zijn wat de wereld van ons weet’.

Zo is Post Mortem een eindeloze ontdekkingsreis waarin Terrin steeds nieuw licht probeert te werpen op wat verzonnen is en wat werkelijk is – en hoe zinnig het onderscheid is. Het levert schatten op, zoals de vraag waarom teddyberen vaak in de fabriek al ‘opgelapt’ worden met een extra stukje textiel – terwijl ze dan nog niet stuk zijn. Is er ooit een onbeschadigde oer-teddybeer geweest die stuk ging, echt gerepareerd moest worden en daarna steeds werd nagemaakt? Over de hoofdletter T, die Steegman eerst beschrijft als een afdakje en later als een crucifix.

Het zijn briljante wolken tegen een blauwe hemel, om in de metafoor van Steegman te blijven. Maar wat Terrin zijn lezers niet gunt is overzicht. Zo is Post Mortem – met uitzondering van het middenstuk over de zieke Renée – een veeleisende leeservaring. Dat gebrek aan overzicht is geen verrassing: Terrin is een schrijver die zijn personages graag in situaties brengt die zij niet meer kunnen vatten – wie in een boek van hem de wereld meent te begrijpen is meestal degene die zichzelf nog meer dan de anderen een rad voor ogen draait.

Op de werkelijkheid is geen grip te krijgen, met hoeveel brille, vernuft en verbeelding je het ook probeert. Zo moet volgens mij ook dat krankzinnige spiegelpaleis worden gezien dat Terrin heeft opgetrokken met zijn schrijver Steegman die de schrijver T verzint. Je kunt afstuderen op het uitpluizen van alle verbanden – en dan promoveren op het feit dat dat dit alles is opgeschreven door Peter Terrin, toch ook een schrijver. Vader van een dochter bovendien aan wie hij de roman heeft opgedragen. Maar wie dat doet, verwijdert zijn blik van de kruisafneming en richt die op de wolken.

Want juist door zo’n overdaad aan metaliterair studiemateriaal over zijn lezers uit te storten, toont Terrin hoe machteloos we zijn, hoe machteloos ook de schrijvers in zijn boek zijn. Het verschil tussen fictie en de werkelijkheid is dat fictie beheersbaar is; de werkelijkheid niet.

In zijn roman maakt Terrin duidelijk wat al die pogingen (van Steegman, van T, van hemzelf) om de gebeurtenissen het domein van de fictie binnen te trekken uiteindelijk zijn: een even machteloze als zinloze poging tot bezwering. Steegman mocht willen dat zijn ‘Wegens nogal moeilijke tijden in de familie’ de ziekte van Renée had veroorzaakt. Het heeft er niets mee te maken.

De meeste romans gaan over de macht van de verbeelding. Post Mortem verbeeldt de onmacht ervan.

Peter Terrin: Post Mortem De Arbeiderspers, 286 blz. € 19,95