Weerstand tegen 'allochtoon'

Veel post de afgelopen week, onder andere over het woord allochtoon. Aanleiding: een advies van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling om, kort gezegd, allochtoon te schrappen uit de Gemeentelijke Basisadministratie.

Onderliggende gevoeligheid: veel allochtonen vinden allochtoon stigmatiserend, want weliswaar is de oorspronkelijke betekenis simpelweg ‘niet-oorspronkelijke bewoner’, in de praktijk is het allang geen neutrale aanduiding meer. Wij gebruiken allochtoon immers niet voor de Britten, Duitsers, Fransen, Amerikanen of Japanners die hier wonen en werken, maar voor mensen met een niet-blanke huidskleur, oorspronkelijk afkomstig uit niet-westerse, onderontwikkelde landen. En voor hun kinderen, ook als die in Nederland geboren zijn.

De geschiedenis van het woord allochtoon is nog niet uitputtend in kaart gebracht. Het is gevormd van de Griekse woorden allos (betekenis: ‘ander’) en chthon (‘aarde, grond, land’). Bij woorden met een Griekse herkomst denk je al snel aan de Klassieke Oudheid (maakten de oude Grieken al een onderscheid tussen barbaren en allochtonen?), maar in feite is het een jong woord.

Eerst was er allochtoon als bijvoeglijk naamwoord. Dit was een geologische vakterm, ook allochthoon gespeld, die voor het eerst is aangetroffen aan het begin van de 20ste eeuw. Zo lezen we in een krant uit 1910, in een artikel over steenkool: „De lagen zijn bodemecht of autochtoon, of ze zijn bodemvreemd of allochtoon.”

Vervolgens werd allochtoon ook als zelfstandig naamwoord gebruikt. De vroegste vindplaats is voorlopig een publicatie uit 1958, getiteld Rapport inzake de samenlevingsvormen, in het bijzonder van autochtonen en allochtonen, te Oudenbosch.

Hadden ze in 1958 te Oudenbosch al te maken met de problemen die later veel grote steden zouden treffen? Concentratie van niet-westerse, niet-blanke gastarbeiders in verpauperende wijken? Nee, allochtoon werd hier gebruikt voor wat wij nu ‘import’ noemen: bewoners die niet te Oudenbosch waren geboren en getogen, maar van buitenaf kwamen. In de jaren daarna lezen we over „allochtone Emmenaren, d.w.z. de nieuwkomers of de import” (de Friese koerier 1959) en zelfs Duitse toeristen zijn wel allochtonen genoemd.

Vanaf 1968 wordt er in het parlement geregeld over allochtonen gesproken, nu voor Ambonezen, Molukkers, Antillianen en gerepatrieerden. De belangrijkste stap in de geschiedenis van dit woord werd in 1971 gezet, toen Hilda Verwey-Jonker een rapport uitbracht, getiteld ‘Allochtonen in Nederland: beschouwingen over de gerepatrieerden, Ambonezen, Surinamers, Antillianen, buitenlandse werknemers, Chinezen, vluchtelingen, buitenlandse studenten in onze samenleving’.

Opmerkelijk is dat Verwey-Jonker toen al meldde dat er weerstand tegen het woord allochtoon bestond. Maar zij vond allochtoon beter dan immigrant of vreemdeling. Want, verklaarde zij in 1971 op een persconferentie: „De grootste groep, de Indische Nederlanders, beschouwen zich beslist niet als vreemdelingen.”

In feite was er dus al vanaf het begin weerstand tegen het woord allochtoon. Eerst omdat het werd gezien als een eufemisme. Verwey-Jonker gebruikte het immers om migrant, immigrant en vreemdeling te vermijden. Bijkomende politieke reden: Nederland wenste niet als immigratieland te boek te staan.

In de decennia erna werd het woord allochtoon steeds meer een belastend etiket. Al in 1993 meldde het tijdschrift Onze Taal dat „allochtoon een ongunstige betekenis heeft gekregen”. In 1994 kopte het Algemeen Dagblad: „Begrip allochtoon niet meer van deze tijd”. Redacteur Carel Brendel schreef toen: „Ik voorspel dat het woord zijn langste tijd heeft gehad.”

Sinds 2002 – het jaar dat de Allochtonenkrant zijn naam wijzigde in Multined – heeft bijna jaarlijks een instelling, politicus of bewindspersoon gevraagd om het woord te schrappen. Als alternatieven zijn aangedragen: eldersgeborene, uitheemse Nederlander, nieuwkomer, medelander, vreemdeling, enzovoorts. Niet de afkomst maar de toekomst van de burgers telt, stelt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling nu. Terecht, vind ik, maar zolang mensen de behoefte hebben om minderheden van de meerderheid te onderscheiden, zullen ze daar woorden voor blijven verzinnen.