Tegen de vlindertjes in de kast

In de rubriek Verdwenen bespreekt Rob Biersma

(bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag: mottenballen.

Wat ‘in de mottenballen doen’ betekent, weet iedereen: je bergt iets voor langere tijd op, je neemt voorzorgen tegen schadelijke invloeden van buitenaf en je neemt maatregelen tegen veroudering. Kortom, je zorgt ervoor dat iets kostbaars voor langere tijd intact blijft. Schepen worden in de mottenballen gedaan, vliegtuigen, bouwkranen, hele oorlogsvloten gaan in de mottenballen.

Mothballing is specialistenwerk waarbij motoren in conserveringsolie worden gezet, kunststof en rubber onderdelen behandelingen ondergaan en protocollen worden geschreven voor demothballing en tussentijdse behandelingen.

De vraagt rijst wat mottenballen eigenlijk zijn. Want één ding is zeker: motten (kleine vlinders) hebben geen ballen. Mottenballen zijn balletjes, zo groot als snoepgoed, van een insectwerende chemische stof die vroeger tussen de dekens en bontjassen werden gedaan als deze voor langere tijd de kast in gingen. Welke chemische stof dat was, hing van de periode af.

De eerste mottenballen, eind negentiende eeuw, waren van naftaleen, een witte kristallijne stof die een typische geur afgaf. Kamfer werd ook tegen insecten gebruikt, maar verdampt vrij snel. Modernere mottenballen zijn van paradichloorbenzeen, eveneens een witte kristallijne stof. Vaak werden aan de mottenballen geurstoffen toegevoegd om ze een ‘mottenballenlucht’ te geven. Het gevaar bestond dat kinderen de balletjes voor snoepjes aanzagen. Ze smaken enigszins zoet, maar naftaleen en dichloorbenzeen zijn giftig.

Zonder mottenballen was er een kans dat opgeborgen dekens, wollen kledingstukken en bont door de motten werden aangevreten. Wie in de loop van de zomer uit de slaapkamerkast kleine vlindertjes zag vliegen, deed er goed aan om achterin de kast de winterdekens te controleren. Tien tegen één dat er gaten in gevreten waren. Niet door de motten zelf (vlinders eten vrijwel niet), maar door de rupsen ervan. Was een kledingstuk maar een klein beetje aangevreten, met hier en daar een gaatje, dan kon je het nog wel dragen, maar het oogde ‘mottig’, een teken van armoe.

Er zijn honderdduizenden soorten motten, maar voor de huisvrouw is de soort die het op textiel gemunt heeft, de kleermot (Tineola bisselliella), de enige echte. Het vlindertje en de rupsen zijn lichtschuw en geven de voorkeur aan een hoge vochtigheid. De gewoonte om in de zomer, bij zonnig en droog weer, winterkleren te luchten en opnieuw in de mottenballen te leggen, was dus zinvol.

Mottenballen zijn geleidelijk in onbruik geraakt door de komst van de nieuwe vezels. Door kleine hoeveelheden kunstvezels door wol te mengen, worden de rupsen gehinderd. Ook zijn er chemische behandelingen gekomen om kledingstukken langere tijd of zelfs permanent ‘motecht’ te maken. Het kierdicht maken van huizen, de betere verwarming zodat ’s winters de huizen droger zijn, het verschijnen van afsluitbare plastic kledingzakken – dat alles maakte dat de kledingmot steeds minder kansen kreeg.

Zijn er nog mottenballen? Wie durft er nog bij de drogist naar te vragen? Het klinkt niet alleen ouderwets, maar ook armoedig. Alsof je huis vies en vochtig is. De mottenbal is daarom door de drogist officieel opgeheven. Wie daarentegen naar de moderne geurbal vraagt, wordt onmiddellijk geholpen. Geurballen bestaan ook uit dichloorbenzeen en zijn eveneens bedoeld om kledingstukken tegen insectenvraat te behoeden. Kortom, het zijn mottenballen.

Frits Abrahams hervat maandag 21 mei zijn rubriek ‘Dag’.