Surinamers douchen niet

In onze literatuur is bijna geen plek voor het Surinaams-Nederlands. Alsof het een minderwaardige, afwijkende versie van onze taal is.

Romancier

Surinamers douchen niet. Surinamers baden namelijk. Ook als er geen sprake is van een bad, maar van een douche. Het hulpwerkwoord dat bij die handeling gebruikt wordt, verschilt ook. Een Nederlander zou zeggen: ‘Ik heb gedoucht’. Een Surinamer zegt dan: ‘Ik ben gebaad’.

Kleine, schijnbaar onbelangrijke nuanceverschillen in een en dezelfde taal.

Clark Accord, de schrijver die een jaar geleden overleed aan kanker, sprong hartstochtelijk op de bres om die typisch Surinaams-Nederlandse uitdrukkingen in zijn werk zeker te stellen.

Accord was zich, meer nog dan andere schrijvers-tussen-twee-culturen, uitermate bewust van het mechaniek achter de wereld van de literatuur. Dat is het mechaniek van leesstijlen, traditie en literatuuropvattingen, aangestuurd door machtsverhoudingen die niet altijd even transparant zijn. Wie bepaalt immers wanneer iets juist is, en wanneer niet Als er in een boek iets gegeten wordt, wie bepaalt wat gewenst Nederlands is: ‘Hij schept de rijst op’ of; ‘Hij zet rijst’?

Accord besefte ten volste dat de keuze van de auteur in dit geval minstens even veel zei over de machtsverhoudingen als over zijn stijl van schrijven. Tijdens een van onze gesprekken over het schrijverschap en alle ellende die daarmee gemoeid is, beklaagde hij zich er over dat de uitgeverij had geopperd om Surinaamse uitdrukkingen in zijn boek cursief af te drukken, zoals men dat ook gewoon is te doen met bijvoorbeeld Engelse uitdrukkingen. Een toelichting op de uitdrukking zou onderaan de pagina afgedrukt kunnen worden. De suggestie kwam de uitgever op een woedende Accord te staan. Zijn tekst moest intact blijven, elk woord stond daarin op de juiste plek. Uitdrukkingen die men niet begreep, kon men immers plaatsen aan de hand van de geschetste context.

Accord begreep precies waar het wrong.

Kleine ingrepen, zoals het vervangen van Surinaamse uitdrukkingen door de Nederlandse variant, zoals gasbom (voor gasfles), lemmetje (voor limoen) en het veelvuldig gebruikte zetten (voor plaatsen, neerleggen, opscheppen – ‘zet een beetje rijst voor me’), zijn in essentie niet klein. Met het vervangen van Surinaams-Nederlandse taalelementen wordt gesuggereerd dat het een minderwaardige want afwijkende versie van onze taal is. Het Algemeen Beschaafd Nederlands geldt daarbij als ijkpunt, en dat wat ervan afwijkt behoeft correctie.

Dat Accord in deze discussie weinig wederhoor vond, heeft te maken met de staat van de postkoloniale literatuur in Nederland, of je kan ook zeggen: het ontbreken van een doorontwikkelde postkoloniale literatuur in Nederland.

Een postkoloniale literatuurbenadering maakt immers zichtbaar hoe eurocentrisch de gangbare literaire opvattingen zijn, en dat er ongelijke krachten van culturele representatie werkzaam zijn. Het dwingt herkenning af van de meer complexe culturele en politieke grenzen waarbinnen de literatuur gevangen zit. Anders gezegd: de postkoloniale literatuur biedt een ander beeld van de wereld die we kennen, of denken te kennen. Het is hetzelfde verhaal, verteld vanuit een ander perspectief.

Nederland is uiteraard niet het enige westerse land met een koloniaal verleden. Maar terwijl de postkoloniale literatuur in bijvoorbeeld de Engelse en Franse taalgebieden al jarenlang onderwerp van discussie is, kraait er in Nederland zelden een haan naar. Men lijkt niet bijster geïnteresseerd in de pluriformiteit binnen de Nederlandse literatuur; migrantenauteurs krijgen een eigen hoekje, maar er wordt niet of nauwelijks bekeken hoe en of ze bijdragen aan het karakter van ‘de’ Nederlandse literatuur.

In de rest van de ooit gekoloniseerde wereld wordt de literatuur die uit het samensmelten van culturen voort is gekomen niet alleen uitputtend bestudeerd, bovendien hebben de talen die daarbij horen zich duidelijk een plek veroverd binnen die literatuur. Het Jamaicaanse Patois bijvoorbeeld, of, iets verderop, op het West-Indische eiland St. Lucia, waar Derek Walcott in 1977 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg vanwege ‘zijn poëtische en intelligente oeuvre dat gedragen wordt door een historische visie, als gevolg van een multiculturele betrokkenheid’.

Groot voorvechter van het ‘eigen’ maken van de taal is Salman Rushdie. In zijn essay Commonwealth Literature Doesn’t Exist schreef hij dat ‘de mensen die ooit werden gekoloniseerd door een andere taal, (…) nu in hoog tempo bezig [zijn] die taal opnieuw op te bouwen, [ze] temmen hem en gaan er steeds ontspannener mee om. Geholpen door de enorme flexibiliteit en omvang van de taal, bakenen ze binnen de uiterste grenzen ruime gebieden voor zichzelf af.’

Vergeleken met de mate waarop en het succes waarmee het Engels zich buiten Engeland en Amerika ontwikkelt, is het met het Surinaams-Nederlands slecht gesteld. Als we daarbij taal zien als een uiting van emancipatie, of als een tool waarmee uitdrukking aan de eigen identiteit gegeven wordt, dan is het betreurenswaardig te noemen dat de ontwikkeling van het Surinaams-Nederlands in de literatuur nauwelijks een plek heeft weten te veroveren.

Creatief gebruik van de Nederlandse taal wordt doorgaans namelijk niet erg op prijs gesteld. Worden schrijvers als Walcott en Rushdie geroemd vanwege de authenticiteit die het Engelse Patois of Hindoe-Engels aan hun boeken verleent, in Nederland werkt dat niet zo. Hier deelt de literaire kritiek geen extra punten uit voor boeken waarin de Nederlandse taal verhaspeld wordt, en waarin romanpersonages uitdrukkingen gebruiken die de autochtone Nederlander verkeerd kan interpreteren. Wanneer er in een boek gesproken wordt over een gasbom, doet dat de Nederlandse lezer te veel denken aan de Tweede Wereldoorlog, en dus moet dat typisch Surinaamse woord vervangen worden door ‘gasfles’, ondanks het feit dat er niemand in Suriname is die dat woord gebruikt. Een postkoloniale benadering van deze keuze laat zien hoe groot de machtsverschillen nog altijd zijn.

De lacune in de ontvangst van de literatuur kan een schrijver slechts beperkt helpen dichten. Clark Accord was het soort geëngageerd auteur dat er zijn uiterste best voor deed. Belangrijker nog was dat hij aan de andere kant van het veld maximaal bijdroeg; binnen de Surinaams-Nederlandse literatuur werd dankzij zijn oeuvre een stevige slag gemaakt. Het succes van zijn debuut zorgde er bovendien voor dat er iets veranderde in de perceptie van de Surinaamse literatuur. Immers, bij een verkoop van 120.000 exemplaren, een succes dat zich vertaalde naar de verkoop in landen over de hele wereld, kan men niet spreken van een boek dat zich in de periferie afspeelt.

In een aantal besprekingen werd de kwaliteit van Clarks werk ondergeschikt genoemd aan zijn rol als jongen van het volk. Het is een discussie die misschien irrelevant te noemen is. Niet alleen vanwege het succes van Accords werk, en het gegeven dat daarmee een alternatief en meer eigen beeld van de migrant wijdverspreid werd. Maar vooral ook omdat de waarde van Accord erin lag dat hij, als schrijver van het volk, als geen ander een stem aan het volk gaf. Dat deed hij, zoals gezegd, door te schrijven in het verbasterde Nederlands van dat volk. Hij gaf in feite weer wat hij in het leven zag. Salman Rushdie noemde de postkoloniale literatuur een vorm van ‘terugschrijven’ aan de oude overheersers, namelijk: het schrijven van een eigen literatuur en geschiedenis, vaak in de taal van de oud-kolonisator. Dit raakt direct aan Accords strijd om elke uitdrukking, elk woord, elke schijnbaar verkeerd gebruikte werkwoord precies op de plaats te laten staan waar hij hem bedacht had. Het is een vorm van literaire emancipatie, met Clark Accord als fakkeldrager van de postkoloniale literatuur in Nederland.

Dit is een verkorte versie van de lezing die Karin Amatmoekrim vrijdag uitsprak tijdens de Memre Clark Accord in de Openbare Bibliotheek Amsterdam.