Succes is te koop, toont Manchester City na zinderend slotduel

Voor het eerst in 44 jaar is Manchester City kampioen van Engeland. Eigenaar sjeik Mansour uit Abu Dhabi kocht zich met City naar de top. Tegelijk was de ontknoping zelden zo spannend.

Een supporter van Manchester United hoort dat City toch kampioen is.

Succes is te koop in het profvoetbal. Over vijf jaar is dat waarschijnlijk het overheersende beeld van het landskampioenschap van Manchester City. De Engelse club dankt de titel aan een niet eerder vertoond uitgavenpatroon.

Maar nu is dat slechts een deel van het verhaal. Want wat scheelde het gisteren weinig. Fans van City hadden al huilend hun plek in het stadion verlaten, vol ongeloof over wat er gebeurde. Hun ploeg stond tot in blessuretijd thuis met 2-1 achter tegen Queens Park Rangers (QPR), terwijl een zege nodig was voor de landstitel. City won toch met 3-2, na vijf adembenemende minuten blessuretijd, en werd alsnog kampioen.

Voor stadgenoot Manchester United, de grote rivaal van City, was de deceptie groot. De spelers hadden zelfs al een beetje feest gevierd na hun zege op Sunderland. Als City niet zou winnen, zou United de titel pakken. Ontgoocheld verlieten de spelers van United het veld toen de late zege van City bekend werd.

Het kampioenschap van City is er een met een prijskaartje. De titel kostte in ieder geval 457 miljoen euro aan afkoopsommen voor enkele van de beste voetballers ter wereld, plus een gemiddeld jaarsalaris per voetballer van 5,8 miljoen.

Dat voetbalsucces te koop is, is al vaker statistisch aangetoond. Op de langere termijn wordt de club die de hoogste salarissen betaalt, negen van de tien keer kampioen. Dat geldt zowel voor de Nederlandse eredivisie als voor de Premier League.

Journalist Simon Kuper en sporteconoom Stefan Szymanski berekenden het bijvoorbeeld in hun boek Dure spitsen scoren niet voor de twee hoogste Engelse profcompetities. In de periode 1998-2007 vonden zij een correlatie van 89 procent tussen de gemiddelde positie op de ranglijst en de hoogte van de spelersalarissen, in de periode 1978-1997 was dat zelfs 92 procent. Het is koele statistiek, na de emotionele ontknoping van de Premier League gisteren. Maar elk seizoen staat bol van spanning en drama, niet alleen het laatste.

Op korte termijn hebben topsalarissen minder invloed op de prestaties, schrijven Kuper en Szymanski. Blessures, vormgebrek of fouten van scheidsrechters zijn in één seizoen van grotere invloed dan gemeten over vijf of tien seizoenen. Daarnaast leek de regel lang niet op te gaan voor City. Hoewel sjeik Mansour bin Zayed al-Nahyan uit Abu Dhabi sinds zijn overname van de club in 2008 elk jaar honderden miljoenen euro’s uitgaf aan nieuwe spelers en spelerssalarissen, bleven de successen uit. City presteerde zelfs slechter dan clubs die niet konden beschikken over bureaulades vol blanco cheques.

Dit seizoen kwam daar verandering in voor The Citizens. Het eerste teken was de 6-1 overwinning op Manchester United, de regerend landskampioen bovendien. De vernedering van de stadgenoot in oktober vorig jaar was de opmaat naar het eerste landskampioenschap sinds 1968. De titel is verrassend, want zes duels voor het einde van de competitie stond City nog acht punten achter op United – overigens net zo’n miljoenenploeg als City. Een tweede zege op de stadgenoot droeg bij aan de inhaalrace. En als City tweede was geworden, had de club zich in ieder geval definitief aan de top genesteld.

Toch hadden goede boekhouders de machtsgreep kunnen zien aankomen. In 2010 passeerde City United op de ranglijst van clubs met de hoogste salarissen, becijferde accountantskantoor Deloitte vorig jaar in zijn jaarlijkse Review of Football Finance. De salariskosten van City waren in 2010 166 miljoen euro en die van United 163 miljoen. City gaf in dat jaar 10 miljoen meer uit aan salarissen dan er aan inkomsten binnenkwam.

De reden dat de machtsgreep van Manchester City even op zich heeft laten wachten, wordt ook besproken in het rapport van Deloitte. Het niveau van de topclubs in de Engelse Premier League is zo hoog dat een club zeer veel moet investeren om zich er tussen te scharen. Om continu topwedstrijden te winnen hebben spelers ook ervaring nodig, en moeten ze om kunnen gaan met de druk – iets wat City gisteren nog parten leek te spelen. Voor een club in de subtop kost een paar plekken winst op de ranglijst verhoudingsgewijs veel minder geld.

Gelukkig voor City was geld geen probleem. Sjeik Mansour kocht zich de afgelopen jaren gek: op dit moment heeft zijn club bijvoorbeeld zeven linksbacks onder contract. Topaanvaller na topaanvaller stapte in Manchester uit het vliegtuig. Allen voor een salaris met vele nullen – en ze hoefden daarvoor niet eens veel te scoren. De Argentijn Carlos Tevez zat dit seizoen voornamelijk op de bank, de Togolees Emmanuel Adebayor is zelfs uitgeleend aan Tottenham Hotspur en maakte daar 17 doelpunten.

De koopwoede van de oliesjeik wekte veel afschuw op, net als de geldsmijterij van Roman Abramovitsj, de Russische eigenaar van Chelsea. „Veel mensen vinden het oneerlijk als ongelijkheid wordt gekocht met geld”, schrijven Kuper en Szymanski. „Dat Chelsea de beste spelers kan aantrekken omdat het een rijke club is, wekt weerzin op.”

Michel Platini, de baas van de Europese voetbalbond UEFA, houdt steenrijke clubeigenaren ook het liefst buiten de deur. Hij vindt de vreemdelingenlegioenen van clubs in het moderne topvoetbal zelfs gevaarlijk. „Voetbal maakt zoveel emoties los doordat het deel uitmaakt van de identiteit van een stad, een regio, een land”, zei Platini al in 2008 tegen deze krant. Als die identiteit verdwijnt, zullen de fans ook afhaken, denkt de drievoudig Europees voetballer van jaar. Platini ziet Engelse clubs het liefst voetballen met Engelse spelers.

Maar misschien is Platini wel ouderwets en zijn denkwijze van de vorige eeuw. De spelers van het wereldwijd bejubelde Barcelona komen ook overal vandaan en verdienen eveneens honderdduizenden euro’s per week. En in de tijd van Platini waren er ook rijke en arme clubs.

Het is ook niet zo dat fans massaal afhaken en niet meer naar de wedstrijden in de rijke Premier League kijken, stellen Kuper en Szymanski. Fans willen de beste spelers ter wereld tegen elkaar zien voetballen en dat gebeurt in de competitie waar ze het meest kunnen verdienen. In het moderne voetbal zijn idolen inwisselbaar en juichen fans vooral voor zichzelf.

De supporters van City maalden er gisteren niet om dat hun succes bijeen is gekocht. De titel was binnen dankzij een zenuwslopende ontknoping en United was verslagen, dat telde. Dat de doelpunten van City werden gemaakt door twee Argentijnen (Zabaleta en Agüero) en een Bosniër (Dzeko), deed er niet toe. In het stadion van Liverpool, al jaren net zo’n vreemdelingenlegioen als City, hebben de fans er zelfs een lied over gemaakt. ‘Our lads, they come from all over the place. They talk dead funny, but they play dead great’, zingen de supporters op Anfield. (Onze jongens, die komen overal vandaan. Ze praten heel gek, maar spelen wel heel goed.)

Manchester City speelde dit seizoen inderdaad regelmatig dead great. De Italiaanse coach Roberto Mancini vormde het voorheen zeer verdedigende City om tot een regelmatig soepel combinerede aanvalsmachine. Drie aankopen speelden daar dit seizoen een grote rol in: spelmaker David Silva (in 2010 overgekomen voor 28 miljoen euro) en aanvallers Sergio Agüero (48 miljoen) en Samir Nasri (27 miljoen). Het aanvallende spel hielp City aan de titel: de club eindigde met even veel punten als Manchester United, maar had een veel beter doelsaldo.

Met de titel lijkt City de toekomst in handen te hebben. Sjeik Mansour heeft grootse plannen. Er moet een nieuw trainingscentrum worden gebouwd en het stadion wordt waarschijnlijk uitgebreid. En de volgende topaankopen staan al op een nieuw boodschappenlijstje. Zoals middenvelder Yaya Touré vorige week zei in de Britse krant The Telegraph: „City kan groter kan worden dan elke andere club.”