Op een bedje van plastic

In de Grote Oceaan drijft steeds meer plastic. Niet best voor het milieu. Maar één insect, de kleine oceaanschaatser, legt er z’n eitjes op.

Hester van Santen

Redacteur Biologie

In de Grote Oceaan drijft steeds meer plastic. De toename is het grootst in de subtropische oceaan tussen Hawaï en Californië. Daar is het aantal plastic deeltjes honderd keer zo groot als in de jaren zeventig. Dat schrijven Amerikaanse biologen in het tijdschrift Biology Letters. Er zijn echter ook regio’s in de zee ten westen van de Verenigde Staten en Canada waar de hoeveelheid plastic niet is toegenomen.

Het plastic in zee is de afgelopen jaren een bekend milieuprobleem geworden. Plastic afval hoopt zich op in de centra van rondcirkelende oceaanstromen, zoals in het oog van een storm. Vogels en vissen kunnen stikken of verstrikt raken in grote resten. Maar veruit het meeste afval bestaat uit deeltjes van maximaal enkele millimeters groot (zie ook kader).

Wat voor invloed hebben die kleine stukjes plastic op de natuur? Een team van het Scripps Instituut voor Oceanografie in Californië beschreef vorige week in Biology Letters een onverwacht effect. Van al die kleine stukjes plastic profiteert een groep insecten, de oceaanschaatsers. Het zijn beestjes die verwant zijn aan de schaatsenrijders uit de vijver: ze ‘schaatsen’ over het water en leggen hun eitjes op vaste deeltjes die op het wateroppervlak drijven.

De oceaanschaatser Halobates sericeus heeft de stukjes plastic ontdekt als geschikte plekjes voor de eieren, schrijven Miriam Goldstein en haar collega’s. Goldstein telde plastic in watermonsters tijdens onderzoeksreizen tussen Californië en Hawaï in 2009 en 2010, in het gebied van cirkelvormige stroming dat de North Pacific Subtropical Gyre (NPSG) genoemd wordt. Dit gebied staat bekend om de hoge concentratie plastic. Ze combineerde die met oude gegevens uit hetzelfde gebied uit de jaren 1972 en 1973.

Het aantal eitjes van de oceaanschaatser in de NPSG is in die periode toegenomen, mat Goldstein – al schrijft ze er niet bij in welke mate. In watermonsters met veel plasticdeeltjes zaten ook veel eitjes van de Halobates. Duidelijk was te zien dat de eitjes aan de stukjes plastic waren vastgeplakt.

Dat kan het ecosysteem veranderen, denkt Goldstein. Als er in een vierkante meter zeeoppervlak één eitje van de oceaanschaatser te vinden is op plastic (dat is veel), is dat 10 procent van al het dierlijk plankton (‘vlees’) in dat stukje zeeoppervlak. Dat kan opgegeten worden, bijvoorbeeld door kleine krabbetjes die ook op drijvend materiaal leven.

De metingen van het Scripps Instituut in de NPSG wijzen er duidelijk op dat de hoeveelheid plastic ten westen van Californië is toegenomen sinds de jaren 1970. Er drijft en zweeft daar nu honderd keer zo veel plastic als destijds. Eerst waren er meestal zo’n 0,003 deeltjes per kubieke meter zee, nu zijn het er 0,425: iets minder dan een deeltje in 2 kuub zeewater.

Die toename ligt voor de hand. Er is sinds de jaren 50 wereldwijd almaar meer plastic geproduceerd en weggegooid. Maar het vreemde is dat meestal juist is opgemerkt dat de hoeveelheid plastic níét toeneemt. In het tijdschrift Science beschreef een ander Amerikaans team anderhalf jaar geleden dat nog voor de Atlantische Oceaan, ten oosten van de Verenigde Staten. Het weggegooide microplastic daar is, wetenschappelijk gezien, ‘kwijt’. Goldsteins team vond zelf in andere regio’s dan de NPSG (Alaska en de tropische Grote Oceaan) evenmin een toename. Over de oorzaken van die verschillen gaat het in haar publicatie nauwelijks. „We waarschuwen dat [onze tellingen] een ruwe schatting vormen”, schrijft ze alleen.