Lichtblauw

Ach ja, Manchester. Ik was er ooit een dag. En een nacht. Een stad van werkers. Eelthanden leken belangrijker dan gave gezichten.

Mijn beste herinnering heb ik aan een Chesterfieldbank in de lobby van een verlopen Victoriaans hotel. De helft van de knopen in de gecapitonneerde zitting waren eruit getrokken. Vanaf die bank zag ik de Engelsen over straat lopen.

Het waren koppen die voorbijkwamen, geen hoofden. Koppen met kou erop. De nekken waren voorzien van overdadig roze varkensvlees. Diezelfde koppen herkende ik gisteren weer op de tribune bij Manchester City. De ‘tweede’ club van de stad kon kampioen worden.

City was al 44 jaar geen kampioen meer geweest. Er waren dus al mensen gestorven die de stad nooit een nacht lang lichtblauw hadden zien kleuren. Het rood van stadsrivaal Manchester United domineerde decennialang.

Na een paar uren kijken naar de Nederlandse nacompetitie schakelde ik over op de Premier League. Ik viel met mijn neus in de boter. Op de tribune was zo’n Manchester mannenkop vol in beeld. Ik kon er alle vooroordelen op kwijt: werkloosheid, fish and chips als bodem voor een paar liter bier, clubtattoo op de rug.

City stond met 1-2 achter. Deze uitslag zou ze het kampioenschap gaan kosten. De man trok aan zijn lichtblauwe sjaal. Ging de duivel hem het eeuwige geluk alsnog afnemen? Zijn mond ging open. Hij bad in scheldwoorden.

City omsingelde Queens Park Rangers, dat als kanonnenvoer voor de kogels van de aanvallers van City sprong. Op het veld werd in de 91ste minuut de achttiende hoekschop genomen. Twee doelpunten maken, dat ging nooit meer lukken.

Er verscheen een vrouw in beeld. Ze trok een blauwe sjaal voor haar gezicht. Niemand op de tribune mocht de wanhoop zien. Een jongetje met roestbruin haar deed niet moeilijk. Hij huilde. Er bestond geen erger verdriet dan een nederlaag van City op deze dag.

In de blessuretijd gebeurde het dan toch: City won met 3-2. Trainer Mancini sprong als een aap in de armen van een assistent. Spelers buitelden over elkaar heen. Ik keek naar de tribune. Fans trokken hun shirt uit en dansten. Mannenborsten gingen in vertraging op en neer.

City had gewonnen in de dying seconds, zoals Engelsen het noemden.

De fans holden het veld op. Ze hadden zo lang krom gelopen onder het juk van het beroemde en betere United. De overwinning werd als bevrijding gevierd.

Boven de tribunes, achter vipglas, stond een lange gestalte met haar als twee zwarte gordijntjes langs zijn gezicht. Liam Gallagher, de zanger van Oasis. City-fan.

Daarna kwam de Arabische eigenaar in beeld. Een rijk man met een zuinig mondje. Kon je succes kopen op het voetbalveld met oliegeld? Ja dus.

De versleten bank zou vast nog wel voor het hotelraam staan. Ik had er vannacht wel op willen hangen. Kijken naar de lange stoet City-supporters. Allemaal te koud gekleed, door alcohol bevangen, stemmen schor van het schreeuwen.

En dat Gallagher dan binnenviel met een akoestische gitaar en het clublijflied Blue Moon zong, naast me op de bank. Niet dat ik van Oasis houd, integendeel, maar gisteren werd alles uit Manchester voorzien van een frisse, lichtblauwe gloed.

Een spandoek zei alles: „The city is ours.”