het populisme in Europa

Op de Franse extreemrechtse leider Marine Le Pen en de linkse voorman in Griekenland Alexis Tsipras lijkt het bekende hoefijzermodel van toepassing: de uiterste flanken van het politieke spectrum liggen dichter bij elkaar dan bij het midden. Le Pen en Tsipras, allebei runner-up in hun land, voeren nationalistische partijen aan die hun electorale kracht ontlenen aan het afwijzen van compromissen die in de eurozone en de Europese Unie worden gesloten. Le Pen staat in een traditie van Franse xenofobie. Tsipras leidt een partij die ontstaan is als samenraapsel van extreemlinkse splinters die zich tegen de markteconomie verzetten.

Vreemdelingenhaat en antikapitalisme leiden kennelijk tot dezelfde woede over ‘Europa’. Ook anti-bewegingen met andere bronnen komen daar nu op uit. Geert Wilders, acht jaar geleden begonnen met angst voor de islam, mikt de komende maanden op electorale weerstand tegen Europa. Hij gaat daarmee in dezelfde richting als de komiek Beppe Grillo, die de afgelopen jaren in Italië miljonair is geworden met zijn strijd tegen corruptie en nepotisme van politici als Silvio Berlusconi.

De gebruikelijke reactie van voorstanders van Europese integratie is dat deze populisten ‘fout’ zijn: ze moeten onzuivere motieven hebben, want zij keren zich tegen het vanzelfsprekende eigenbelang dat hun landen hebben bij Europese integratie.

Die onzuivere motieven kunnen neerkomen op van alles: anarchisme (Grillo), electoraal opportunisme (Wilders), anti-neoliberalisme (Tsipras’ Syrizas en de SP van Emiel Roemer) of klassiek extreem-rechts.

De beklaagden bestrijden zulke beschuldigingen allen met hetzelfde antwoord: de vriendjes van Brussel ontkennen gewoon dat kiezers de buik vol hebben van de problemen die de euro heeft gebracht en van het ongrijpbare, afstandelijke Europa.

Europa wordt zo een goed-fout-strijd. Verraders van de natie versus verraders van het ideaal van een open samenleving en economie op Europese schaal. Europa als ideologie.

Dat ‘moeten kiezen’ is nieuw. Veel centrumpolitici nemen liever een dubbelhartige houding aan: Europese compromissen sluiten, en dan mopperen op de uitvoerder: ‘Brussel’. Maar die ruimte is in de eurocrisis verdwenen: besluiten doen zich nu op ingrijpende wijze voelen. Als de Fransen met 60 met pensioen gaan, moet de rest van Europa betalen. Als Spaanse banken in de problemen komen, etc.

Wat hebben we in zulke omstandigheden aan klachten over verwerpelijke populisten? ‘Europa’ ís de belangrijkste politieke breuklijn. En die draait om harde, praktische vragen: wat valt er eigenlijk te winnen bij verdere Europese integratie? Welk perspectief rechtvaardigt de offers?