Column

Het noodzakelijke verraad van de grote politicus

Als Nicolas Sarkozy morgen voor het laatst het Elysée verlaat, en een auto of helikopter hem naar de rest van zijn leven brengt, zal hij waarschijnlijk niet aan Bernard Wientjes denken. En geef hem eens ongelijk. Maar de geest van Wientjes zal de vertrekkende Franse president de komende tijd vast en zeker door het hoofd spoken.

„Het leiden van een land is ongelooflijk gecompliceerd”, verzuchtte de werkgeversvoorman laatst in deze krant. Het beroep van politicus eist „een opoffering die bovenmenselijk is”. Sarkozy zal het graag beamen.

Vijf jaar lang heeft hij zijn beste krachten gegeven, zoals hij dit jaar niet moe werd te vertellen. En nu wordt hij afgedankt, ingeruild voor een man zonder enige regeringservaring. Zo gaat dat in een democratie. Maar ook voor zijn opvolger, nu nog in overwinningsroes, zal snel genoeg de ontnuchtering komen.

De klaagzang van Wientjes ging over Nederland, maar het probleem speelt overal. Kiezers verwachten dat politici alle problemen kunnen oplossen. Politici spelen het spel mee zolang de verkiezingscampagne duurt, maar als ze eenmaal gekozen zijn blijkt hun speelruimte toch niet zo groot. Dan begint de grote teleurstelling, de bitterheid, het afbladderen van reputaties.

Steevast klinkt de klacht – en ook dát is niet typisch Nederlands – dat er tegenwoordig geen politici van formaat meer zijn. Waar zijn de Churchills van onze tijd? Merkel is geen Kohl, Sarkozy geen Mitterrand, Obama geen Clinton en Clinton was trouwens geen Roosevelt. Arme politiek. Om met Wientjes te spreken: de elite krijg je er niet meer voor. Topmensen kiezen als het erop aankomt liever voor ABNAmro of KPMG.

Zou het? Een beetje Churchill laat zich door een guur politiek klimaat toch niet wegblazen naar een carrière bij een bank of een accountantskantoor? Grote politici worden niet geboren, of opgekweekt tot het moment dat ze voor de keuze komen te staan: ga ik nu de politiek in of wordt het toch maar KPMG? Ze groeien in hun rol of niet, pas in het heetst van de politieke strijd ontwikkelen ze hun vaardigheden en ontdekken zij, en wij, wat ze waard zijn.

Neem Merkel. Al jaren wordt haar verweten dat ze moeilijke keuzes uit de weg gaat. Ze mist daadkracht, roept men in binnen- en buitenland. Als ze maar dit zou doen, of dat, dan waren de problemen in Europa lang niet zo groot geworden.

Merkel en haar collega’s in de eurozone hebben de crisis inderdaad nog niet opgelost, maar de afgelopen twee jaar hebben ze wel degelijk iets bereikt. In een aantal landen is de crisis weliswaar heel pijnlijke voelbaar geworden, maar de gevolgen voor de euro en de hele Europese Unie hadden veel ernstiger kunnen zijn. Strompelend van crisisberaad naar crisisberaad hebben ze voor de korte termijn de zwartste scenario’s tenminste afgewend.

Dat lijkt een erg bescheiden succes, maar is het niet heel wat, als je de omvang van de problemen ziet en de complexiteit van de Europese politiek? Met dat krachtige leiderschap waar zo naar gesnakt wordt, liefst gepersonifieerd in een doortastend politicus die optreedt als topman van een bedrijf, schiet je in deze tijd weinig op. Dat heeft Sarkozy wel geleerd. Uiteindelijk heeft hij zijn idee van een glorieus leiderschap opgegeven, omdat hij zag dat schipperen met Merkel het beste voor het land was.

Merkel zal moeten accepteren dat de inflatie oploopt, hoor je nu alom. Anders kan de euro niet overleven. Waarschijnlijk is dat zo, maar ook als Merkel dat erkent kan ze dat niet zomaar besluiten. Niet alleen heeft ze te maken met haar kiezers en de Bondsdag. Ze moet een diepe overtuiging van haarzelf en de Duitsers opgeven dat inflatie gevaarlijk is. Ze moet in zekere zin verraad plegen aan zichzelf, om trouw te kunnen blijven aan een andere overtuiging: dat de euro gered moet worden.

Zo’n keuze vereist moed, leiderschap en ook zorgvuldig manoeuvreren. De waardering ervoor komt op zijn best jaren later, als blijkt of het gewerkt heeft.